Minister en CDS willen beste nazorg voor veteranen

Volgens een persbericht van het Ministerie van Defensie, willen minister Hennis-Plasscheart en de CDS de beste nazorg voor veteranen.


Minister en CDS willen beste (na)zorg voor veteranen

Deze suggestie deed minister Jeanine Hennis-Plasschaert vanmorgen bij de opening van de 8e 3-daagse conferentie voor ombudsmannen van krijgsmachten uit de hele wereld. Het thema van de bijeenkomst is de rol van ombudsinstituties bij internationale missies. Het doel: kennis delen en ervaring uitwisselen.

 

Benodigde zorg bieden

Ombudsmannen floreren als ze onderzoeken wat er fout ging en hoe het beter kan. Ze moeten altijd klaar staan om te luisteren naar en te reageren op klachten en zorgen van militairen. Die nemen steeds vaker deel aan internationale missies en 1 van de consequenties is de stijging van het aantal veteranen. Hennis noemde het van het grootste belang dat militairen voldoende hulp krijgen, zelfs nadat ze de dienst hebben verlaten. “Ontslag ontslaat ons niet van de verplichting om hen de benodigde zorg te bieden”, zei ze. “Ik ben ervan overtuigd dat door ervaringen uit te wisselen en op een praktische manier samen te werken de ombudsinstituten verder kunnen verbeteren en dus ook onze strijdkrachten en de levens van onze militairen.” Dankzij het zorgsysteem dat de afgelopen Jaren is opgebouwd, zijn de krijgsmachten in staat zorg te leveren, toegesneden op de persoon.

In zijn openingstoespraak riep Veteranenombudsman Reinier van Zutphen zijn collega’s op om de krachten te bundelen en de rechten van uitgezonden militairen bij huidige en toekomstige missies te beschermen. “Ombudsmannen hebben een rol tijdens en na afloop van missies, maar zeker ook in de voorbereiding van missies.”

 

Mentale fitheid

Commandant der Strijdkrachten generaal Tom Middendorp was het er als veteraan volledig mee eens. “Onze mensen hebben recht op de beste zorg tijdens en na de missie. Als je slechts de beschikking hebt over een paar goede mensen, kan je maar beter goed voor ze zijn.”

Hij noemde 3 elementen waarmee militairen zich beter kunnen voorbereiden op hun uitzending. Dat is door hun mentale fitheid te trainen en te ontwikkelen. Ze kunnen beter omgaan met eventuele schokkende zaken. “Je kunt wel stoer doen en pretenderen dat het je niets doet, maar schokkende of levensbedreigende gebeurtenissen raken zelfs de meest geharde militair.”

Het tweede element is volgens de CDS goed leiderschap en dan met name van de officieren en onderofficieren in het veld. Hij vertelde hoe (onder)officieren in Afghanistan er voor zorgden dat een eenheid een schokkende gebeurtenis verwerkte en de militairen elkaar door de moeilijke periode hielpen. “Zonder gevoel van spijt gingen ze weer aan het werk. Samen werden zij sterker en een van de beste pelotons van de battlegroup.”

Culturele bewustwording

Als laatste pleitte Middendorp voor culturele bewustwording. “Als je de lokale cultuur begrijpt, kan je de juiste beslissingen nemen en vooruitlopen op de mogelijke gevolgen van jouw handelen”, aldus Middendorp. Soms is cultureel bewustzijn volgens hem een zaak van leven en dood. “We hebben ontelbare improvised explosive devices in Afghanistan onschadelijk gemaakt, dankzij de uitstekende contacten met de bevolking.”

Voor Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht luitenant-generaal Bart Hoitink staat tijdens de conferentie het delen van ervaringen centraal. “Leren van elkaar en begrip krijgen voor ieders specifieke rol met betrekking tot het bewaken van de rechten van militairen tijdens internationale missies”, verduidelijkt hij. “Zowel voor de uitgezonden militair als ook voor de inwoners van de landen waar onze militairen worden ingezet.”

IGK Hoitink en Veteranenombudsman Van Zutphen zijn de gastheren van het congres voor ombudsfunctionarissen die klachten behandelen over de defensieorganisaties:  the International Conference of Ombuds Institutions for the Armed Forces.

De conferentie duurt nog tot en met woensdag.

curl 'https://imasdk.googleapis.com/js/core/bridge3.184.1_en.html#goog_1168526684' \ -Xnull

NCRV/KRO Brandpunt: Over veteranen in Libanon

“Ik riep: we gaan allemaal dood”

Door Piet de Blaauw –  in Brandpunt

Er hebben zich 250 veteranen gemeld die ziek zijn geworden na de militaire VN-missie in Libanon, begin jaren ‘80. Defensie claimt dat er wel nazorg is geweest voor de militairen, maar dat wordt door de betrokken veteranen ontkend.

Afgelopen december oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat Defensie de zorgplicht heeft geschonden voor een Libanon-veteraan uit Groningen. Tussen 1979 en 1985 werden circa 9000 Nederlandse militairen naar Libanon gestuurd voor een VN missie. Een onbekend aantal veteranen heeft na terugkomst een posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen.

Unifil had de opdracht om de strijdende partijen in Libanon te scheiden: aan de ene kant Palestijnse milities en aan de andere kant het Israëlische leger, gesteund door vooral Christelijke milities. Veteraan Gerard Kempers vertelt in Brandpunt hoe zijn leven is bepaald door het halfjaar dat hij in Libanon diende. “Ik riep: we gaan allemaal dood. Dit gaan we niet overleven.”

Een van zijn beste vrienden werd doodgeschoten en hij werd zelf gegijzeld.

Kempers raakte in april 1980 betrokken bij de zogenaamde Slag om At Tiri. Tijdens deze veldslag, waarbij ook tanks werden ingezet, werd het voertuig van van Kempers verschillende malen zwaar beschoten door een christelijke militie. Hij kreeg tot vijf keer toe het commando om met zijn voertuig de vuurlinie in te rijden.  “Ik voelde mij machteloos.”

Doel van de actie was om een Ierse VN-eenheid te ondersteunen die werd aangevallen door de christelijke militie onder leiding van kolonel Haddad. Hij wilde het gebied zuiveren van Palestijnen die regelmatig het nabijgelegen Israël aanvielen.

 

Nachtmerrie

Gerard Kempers reist samen met Brandpunt naar Dublin, waar hij de Ierse VN-veteraan Simon Deane bezoekt. Tijdens de Slag om At Tiri werd ook zijn eenheid zwaar beschoten. Een van zijn beste vrienden werd doodgeschoten en hij werd zelf gegijzeld.  Twee andere Ieren werden tijdens deze gijzeling geëxecuteerd. “Ik heb nachtmerries”, zegt Simon in Brandpunt. “Ik vind mijn leven nog steeds niet erg waardevol en ik vind het nog steeds moeilijk om normaal te zijn.”

Ook Simon heeft PTSS opgelopen, maar Ierse veteranen krijgen helemaal geen hulp van het leger. Simon heeft zijn eigen behandeling moeten betalen. “Toen we terugkwamen in 1980 heb ik een keer met een psycholoog gesproken. Dat was de laatste keer dat ik met iemand van het leger sprak.“

Het verhaal van Simon is voor Gerard Kempers erg herkenbaar. “Hij voelt dezelfde pijn en machteloosheid. Dat lijkt dus universeel  te zijn.” Ruim 35 jaar na Libanon kampt Gerard Kempers nog dagelijks met de Libanon-missie.  Zijn huwelijk liep op de klippen, hij raakte regelmatig zijn werk kwijt en kwam in financiële problemen.  “Ik was alleen, eenzaam. Heeft mij verhard, berekenend gemaakt.”

Als geconstateerd wordt dat er onvoldoende maatregelen zijn genomen, dan moet je alles doen om het in orde te maken
Bram Stemerdink

 

“Defensie wist van bestaan PTSS”

Het ministerie van Defensie wist tijdens de VN-missie in Libanon al van het bestaan van PTSS bij uitgezonden militairen. “Het was bekend dat mensen er trauma’s aan overhielden”,  zegt oud-staatssecretaris van Defensie Bram Stemerdink in Brandpunt. Stemerdink vindt dat Defensie een ereschuld heeft richting de veteranen. “Als geconstateerd wordt dat er onvoldoende maatregelen zijn genomen, dan moet je alles doen om het in orde te maken.”

Advocaat Vincent Dolderman schrikt van de uitspraken van Stemerdink en noemt ze opmerkelijk. “Het maakt het gebrek aan zorg en de verwijtbaarheid aan Defensie alleen maar groter.” Namens meer dan 150 cliënten stuurt Dolderman deze week een brief naar Defensie waarin de Staat aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die veteranen hebben opgelopen na de missie. Het gaat dan om bijvoorbeeld loopbaanschade, pensioenschade, maar ook kosten die veteranen hebben moeten maken omdat ze psychische schade hebben opgelopen tijdens de missie.

Het ministerie van Defensie heeft aangekondigd deze maand nog te zullen reageren op de massaclaim.

RTL LATE NIGHT – Veteraan over ervaringen in Libanon

Veteraan Chris Kriznaric werd uitgezonden naar Libanon. Daar werd Chris onderdeel van een hevige strijd, waar hij soms 38 uur achter elkaar diensten draaide wegens onderbezetting. Dat heeft zijn sporen nagelaten, maar goede begeleiding zowel voor als na deze missie bleef uit. Pas na 2006 wordt hij behandeld en is hij maar liefst 50.000 euro kwijt aan zorgkosten. Defensie moet een schadevergoeding betalen.

Minister van Defensie aansprakelijk voor schade Libanonveteraan

De Centrale Raad van Beroep beslist in zijn uitspraak van 14 december 2015 dat de minister van Defensie aansprakelijk is voor de schade van een militair die uitgezonden is geweest naar Libanon. Na de uitzending is bij de militair een PTSS ontstaan. Het is niet gebleken dat aan de militair voldoende voorlichting over mogelijke psychische klachten is gegeven en dat tijdig hulp is aangeboden.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

In zijn uitspraak van 14 december 2015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep – anders dan de rechtbank eerder deed – dat de minister van Defensie zijn zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van een militair die uitgezonden is geweest naar Libanon en die daarna een PTSS heeft ontwikkeld. Er was sprake van een combinatie van gebrek aan zorg vóór, tijdens en met name na de uitzending. Pas in 2007, toen alle Libanonveteranen zijn benaderd, is aantoonbaar nazorg aangeboden. Verder heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat de PTSS ook zou zijn ontstaan als wel voldoende (na)zorg was verleend. De minister is daarom aansprakelijk voor de door de militair gestelde schade.

De militair is in 1980/1981 uitgezonden geweest naar Libanon als dienstplichtig militair van het UNIFIL-bataljon. Het is niet gebleken dat aan de militair vooraf voldoende voorlichting is gegeven over mogelijke psychische klachten als gevolg van ervaringen tijdens de uitzending. Ook is niet gebleken dat de leidinggevenden de militair tijdens de uitzending hebben gewezen op hulpverlening of zelf hulpverlening hebben ingeschakeld toen de militair ernstig afwijkend gedrag ging vertonen. Verder heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat voldoende nazorg is verleend. Uit het Rapport Nazorg ex-UNIFILmilitairen van 1987 bleek al dat veel ex-Libanongangers voorlichtingsbrieven over nazorg niet hadden ontvangen en dat veel Libanonveteranen psychische klachten hadden ontwikkeld, maar daarvoor niet in alle gevallen hulp zochten of ontvingen. Niet is gebleken dat daarna alsnog nazorg is aangeboden. In 1998 heeft de minister in een brief aan de Tweede Kamer het belang van een actief nazorgbeleid erkend. Toch heeft de minister ook daarna de militair niet aantoonbaar nazorg aangeboden. Pas in 2007 zijn alle Libanonveteranen alsnog benaderd over beschikbare nazorg. De Centrale Raad van Beroep is tot de conclusie gekomen dat de minister zijn zorgplicht heeft geschonden en aansprakelijk is voor de gestelde schade.

Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is in deze zaak een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraak dan ook geen hoger beroep instellen.

Utrecht, 14 december 2015


Centrale Raad van Beroep, uitspraakdatum 14 december 2015
Zaaknummer 14/2027 MAW, ECLI:NL:CRVB:2015:4336

De genoemde uitspraak van de rechtbank is:
Rechtbank Den Haag van 5 maart 2014, zaaknummer 13/5478, ECLI:NL:RBDHA:2014:4897

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Minister informeert de Kamer over verankering PTSS en 24/7 Loket Politie

29 628 

Politie

Nr. 545

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2015

Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer toegezegd u voor de zomer 2015 te informeren over de wijze waarop de zorg voor politieambtenaren met beroepsziekten zoals PTSS wettelijk verankerd kan worden. Met deze brief geef ik invulling aan deze toezegging. Tevens wordt daarin ingegaan op twee andere toezeggingen, te weten het functioneren van het 24/7 Loket Politie en de behoefte aan geestelijke verzorging bij de politie.

Wettelijke verankering zorg voor politieambtenaren met beroepsziekten.

Het werk van politieagenten heeft een bijzonder karakter. Politieagenten gaan immers met regelmaat naar gevaarlijke of anderszins ingrijpende situaties om in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Daar waar anderen terugtreden zet de politie een stap naar voren.

Politieambtenaren verdienen dan ook erkenning en waardering voor hun inzet ten dienste van de Nederlandse samenleving. Hier ligt een taak voor de overheid om de erkenning van de inzet van de politiemedewerkers en de waardering die hen daarvoor toekomt meer dan tot nu toe gedaan is te bevorderen.

Als gevolg van het uitvoeren van hun taken en de risico’s die dat met zich brengt kunnen er gevolgen voor de gezondheid van politieambtenaren optreden. Ik ben van oordeel dat, waar dergelijke gevolgen aan de orde (kunnen) zijn, politiemedewerkers recht hebben op een vorm van bijzondere zorg. Deze bijzondere zorg komt in aanvulling op de gebruikelijke zorg voor politiemedewerkers als gevolg van goed werkgeverschap en in aanvulling op de bestaande wet- en regelgeving. De bijzondere zorg omvat het bieden van goede, passende (na)zorg voor politieambtenaren, die dat als gevolg van het bijzondere karakter van het politiewerk nodig hebben en op het ondersteunen van hun relaties. Ook is deze zorg gericht op het voorkomen van gezondheidsproblemen bij politiemedewerkers als gevolg van het politiewerk.

Ik ben voornemens deze bijzondere zorgplicht op basis van artikel 47 van de Politiewet 2012 vast te leggen in een nieuw hoofdstuk in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Hiermee wordt de bijzondere zorg voor politieambtenaren geëxpliciteerd en afgebakend. De uitvoering wordt beter toetsbaar en controleerbaar.

De bijzondere zorgplicht laat uiteraard onverlet – en ligt in het verlengde van – de materiële zorg op grond van wettelijke voorschriften in verband met werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en overlijden en de psychosociale zorg en begeleiding.

Bij de inrichting van de bijzondere zorgplicht voor politieambtenaren dringt een vergelijking met de Veteranenwet zich op. Daarbij dienen naast de overeenkomsten ook de verschillen goed voor ogen te worden gehouden. Zo staat bij de Veteranenwet de inzet onder oorlogsomstandigheden of deelname aan een missie centraal. Hierbij kan een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de periode voor, tijdens en na inzet. Kenmerkend voor deze – militaire – inzet is dat reguliere Nederlandse regelgeving veelal toepassing mist. De politietaak daarentegen wordt uitgeoefend binnen het in Nederland geldend wettelijk kader. Anders dan bij militaire inzet is de uitoefening van de politietaak continue aan de orde. De periodes voor, tijdens en na inzet vloeien iedere dag weer in elkaar over, inzet van de politieambtenaar vindt elke dag plaats. Een groot deel van de veteranen is bovendien buiten de Defensieorganisatie werkzaam terwijl bovengenoemde zorgplicht voor het merendeel van toepassing zal zijn op politieambtenaren in actieve dienst.

In het Besluit algemene rechtspositie politie zullen ter invulling van de zorgplicht de volgende elementen worden geregeld:

  1. De verplichting voor de korpschef om een beleid te voeren dat gericht is op bevordering van erkenning van de verdiensten van politieambtenaren, van erkenning van de mogelijke gevolgen van de uitoefening van de politietaak voor hun gezondheid als onderdeel van goed werkgeverschap, en van de waardering die politieambtenaren op grond van hun verdiensten toekomt. Hierbij kan worden gedacht aan herdenkingen en bevordering van de beroepstrots, zoals de Tuin der Bezinning, en het medaillebeleid.
  2. Een verplichting voor de korpschef met betrekking tot de zorg voor politieambtenaren, die inhoudt dat politieambtenaren zowel mentaal als fysiek goed worden voorbereid op de uitoefening van de aan hen opgedragen politietaak en dat politieambtenaren goed worden begeleid tijdens de uitoefening van deze taken
  3. Een verplichting voor de korpschef met betrekking tot de bijzondere zorg voor (gewezen) politieambtenaren met beroepsgerelateerde aandoeningen. Deze bijzondere zorgplicht houdt in dat (gewezen) politieambtenaren met beroepsgerelateerde aandoeningen en hun relaties worden bijgestaan bij hun revalidatie en re-integratie en bij het verkrijgen van materiële zorg en psychosociale ondersteuning Een concreet onderdeel van deze zorgplicht is het in stand houden van voorzieningen voor 24-uurs bereikbaarheid bij acute hulpvragen en voor vroegtijdige signalering of hulpvragen vanuit familieleden of directe omgeving van de politiemedewerker.
  4. De verplichting voor de korpschef om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen naar aandoeningen die gerelateerd kunnen zijn aan de uitoefening van de politietaak. Deze opdracht vloeit voort uit hierboven gedefinieerde bijzondere zorgplicht voor politieambtenaren. Met de resultaten van dit onderzoek wordt beoogd om op basis van nieuwe inzichten beroepsgerelateerde aandoeningen van politieambtenaren beter te kunnen behandelen of voorkomen en zodoende beter invulling te kunnen geven aan de zorgplicht.

De bijzondere zorgplicht zal mede van toepassing zijn op de (gewezen) politieambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend in het kader van deelname aan een door mij aangewezen missie. Aangezien politie- en defensiepersoneel steeds meer gezamenlijk worden uitgezonden zal daar waar wenselijk en mogelijk worden samengewerkt met Defensie op gebied van bijzondere zorg, met aandacht voor de verschillen in beide organisaties.

De bijzondere zorgplicht zal verder vergelijkbaar worden geregeld voor de vrijwillige politieambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

Met de voorgenomen vastlegging van de bijzondere zorgplicht in regelgeving wil ik waarborgen dat politieambtenaren met beroepsgerelateerde aandoeningen, fysiek dan wel psychisch, de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben.

In de praktijk is te zien dat de politie er hard aan werkt om dit binnen de context van de nationale politie al zoveel mogelijk vorm te geven. In de visie op Veilig en Gezond Werken erkent de politie de zorgplicht die voortvloeit uit de risico’s van het politievak. Deze visie is richtinggevend voor de inrichting op het gebied van veilig en gezond werken, die op dit moment wordt omgevormd tot een landelijke inrichting. Ook de politievakorganisaties hebben ingestemd met deze visie. Gebaseerd op deze visie richt de politie een stelsel van zorgvoorzieningen in, waarmee de begeleiding, ondersteuning en zorg voor politiemedewerkers die ziek zijn geworden wordt vormgegeven. Ook is in de nieuwe inrichting van Veilig en Gezond Werken ruimte gemaakt voor voorzieningen voor collega’s die extra zorg nodig hebben als gevolg van het politiewerk, zoals de erkenningsprocedure voor politiemedewerkers met beroepsziekten en gespecialiseerde opvang, (medische)zorg en ondersteuning van deze collega’s. Het 24/7 loket is eveneens een voorbeeld van de extra zorg die geboden wordt.

Daarnaast heb ik uw Kamer vorig jaar geïnformeerd over de Coulanceregeling PTSS (kamerstuk 29 628, nr. 468) waarmee invulling wordt gegeven aan een (im)materiële schadevergoeding voor (gewezen) politiemedewerkers. Op dit moment is een Regeling Vergoeding beroepsziekten politie in voorbereiding waarmee hieraan structureel invulling wordt gegeven. Tot slot heb ik in mijn CAO inzet ook benoemd dat ik wil komen tot een aanspraak op schadevergoeding in het geval van een beroepsincident. Hiermee wordt betrokkene een gang naar de rechter bespaard.

Met formele vastlegging wil ik voor nu en de toekomst borgen dat politieambtenaren de zorg krijgen die zij verdienen. De tot stand te brengen regelgeving legt daarmee als het ware een fundament onder de huidige ontwikkelingen en zorgt ervoor dat deze ook in de toekomst gewaarborgd zijn.

Door deze in de regelgeving vast te leggen kan de politieambtenaar zich hierop ook beroepen tegenover de werkgever indien dit nodig mocht zijn.

Het 24/7 loket Politie.

Het 24/7 Loket Politie is een externe en laagdrempelige voorziening voor (oud) politiemedewerkers, leidinggevenden en het thuisfront. Bij het loket kan men 24 uur per dag en 7 dagen in de week terecht met diverse hulpvragen. Doorverwijzing naar deskundige hulp (bijvoorbeeld een gespecialiseerde GGZ-instelling) binnen of buiten het korps behoort tot de mogelijkheden. Het uitgangspunt daarbij is altijd de eigen wens van de politiemedewerker.

Bij het loket zijn gespecialiseerd maatschappelijk werkers werkzaam, die beschikken over kennis van de politiecontext. Enkele leden van de Tweede Kamer gaven aan signalen te hebben ontvangen over het functioneren en de positionering van het 24/7 Loket Politie. Zo zouden er bijvoorbeeld politiemensen zijn die zich niet tot het loket willen wenden of zou het loket niet goed bereikbaar zijn. Deze signalen neem ik zeer serieus en heb ik laten uitzoeken.

Het 24/7 Loket Politie voorziet in aanvullende professionele en eenduidige zorgopvang, iets dat in de voormalige politiekorpsen lang niet altijd aanwezig was. Ik ben er van overtuigd dat het 24/7 Loket Politie aantoonbaar meerwaarde heeft. Dat neemt niet weg dat de doeltreffendheid en dienstverlening van het 24/7 Loket Politie voortdurende aandacht heeft. De korpschef ziet in nauwe samenwerking met het 24/7 Loket Politie ruimte voor verdere verbetering.

Terugkijkend naar het 24/7 Loket Politie vanaf het moment van oprichting in 2012, staat vast dat er geen enkele klacht met betrekking tot het loket is ingediend op basis van de privacy- en klachtenprocedure die wordt gehanteerd.

Daarnaast is het 24/7 Loket sinds de opening in 2012 altijd bereikbaar geweest, buiten enkele technische storingen bij KPN. Het 24/7 Loket Politie is tweemaal geëvalueerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau. De uitkomsten van deze evaluaties zijn op hoofdlijnen positief en bevestigen de oorspronkelijke doelstellingen. De laagdrempeligheid, onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid worden als sterke punten genoemd. Wel doet het onderzoeksbureau een aantal aanbevelingen om de dienstverlening te verbeteren:

  • Het verschaffen van meer duidelijkheid over de vragen waarmee cliënten bij het 24/7 Loket terecht kunnen en over de concrete producten die het 24/7 Loket biedt;

  • De anonimiteit van de cliënten moet weliswaar geborgd blijven, maar meer geaggregeerde, geanonimiseerde informatie op niveau van de eenheid kan heel waardevol kan zijn voor onder meer de verbetering van de interne zorglijn;

  • Het 24/7 Loket moet beter in staat zijn om psychische problematiek te signaleren en tijdig door te verwijzen.

De politie neemt de aanbevelingen uit de evaluaties over en zal deze in het 24/7 Loket implementeren.

Geestelijke verzorging.

Zoals hierboven is geschetst brengt politiewerk de confrontatie met ingrijpende situaties met zich mee, soms op leven en dood.

Dit vraagt binnen het politievakmanschap extra aandacht voor het maken van morele afwegingen en raakt aan vraagstukken over identiteit en levensbeschouwing. In de CAO Politie 2005–2007 zijn reeds afspraken gemaakt over de geestelijke verzorging binnen de politiekorpsen. Door korpsen is hier op verschillende wijze invulling aan gegeven.

De totstandkoming van de nationale politie biedt de mogelijkheid om een gezamenlijke visie op zingevingsvragen in relatie tot goed politievakmanschap en veilig en gezond werken te ontwikkelen.

Het onderzoeksrapport «Zin in politiewerk» (2014) geeft hiervoor een aantal aanknopingspunten.1 Het rapport onderschrijft dat zingeving onlosmakelijk verbonden is met het politiewerk, vanwege de waardengedrevenheid van de politieorganisatie, de morele dimensie van het dagelijkse politiewerk en de impact die het werk kan hebben op de politiemedewerkers.

Op dit moment wordt uitgewerkt hoe de aandacht voor zingevingsvraagstukken het beste kan worden vormgegeven binnen het politiekorps, als onderdeel van het politievakmanschap en van de zorg voor en begeleiding van het politiepersoneel en op welke wijze daar vanuit het vak geestelijke verzorging ondersteuning en versterking aan gegeven kan worden. Bij de uitwerking wordt zowel intern aanwezige als externe expertise op het gebied van zingeving en geestelijke verzorging betrokken, waaronder expertise vanuit de Diensten Geestelijke Verzorging van Defensie en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

In het najaar 2015 ontvang ik een advies van de korpschef over passende vormen van bewustwording, begeleiding en ondersteuning van politiemedewerkers bij vraagstukken over zingeving en geestelijke verzorging binnen de politieorganisatie. Uiteraard zal ik dit advies bespreken met de politievakorganisaties, mede in relatie tot de al eerder gemaakte afspraak uit CAO Politie 2005–2007. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van dit overleg.

Tot slot.

Ik ga er van uit dat ik met deze brief aan de toezeggingen u te informeren tegemoet ben gekomen en hoop en verwacht dat u met de door mij voorgestelde uitwerking en borging van de bijzonder zorgplicht voor politieambtenaren kunt instemmen.

De Minister van Veiligheid en Justitie,G.A. van der Steur


1 2 3 4 5