Kamervragen over helikopterongeval in Afghanistan in 2009

Op 18 april 2018 heeft kamerlid Sadet Karabulut (SP) vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Defensie, Barbara Visser. Aanleiding voor die vragen was een artikel in NRC over een helikopterongeval met een Cougar (Dodo 44) in Afghanistan, afgelopen zaterdag.

In dat artikel beschrijft NRC hoe met mijn cliënten, die als militair passagier in de helikopter zaten, na het ongeval is omgegaan. Hoewel de bemanning nazorg kreeg en in de media werd gelauwerd, moesten zij zwijgen, werd hun aanwezigheid in de helikopter verzwegen en kregen zij geen nazorg. Hen werd verteld dat er sprake was van een landing uit voorzorg door een hydraulisch lek, maar later (2015) vertelt de pilote in Pauw dat de helikopter beschoten is. Een jarenlange zoektocht naar de werkelijke toedracht van het ongeval begint voor cliënten. Defensie weigert daar tot op heden openheid van zaken te over geven.

NRC Handelsblad, zaterdag 14 en zondag 15 april 2018: Opeens hing de helikopter scheef.

Kamerlid Karabulut wil onder andere van de staatssecretaris opheldering over het spreekverbod, het zoekraken van documentatie en over het optreden van de pilote in de uitzending van Pauw in 2015. Ook stelt zij vragen over het verschil in de bejegening van de bemanning en de passagiers.

De kamervragen vindt u hier.

Aanstaande woensdag zal de zaak (ook) aan de orde komen in een debat met de Staatssecretaris van Defensie.

Opeens hing de helikopter scheef

NRC: Bijna-helikoptercrash Een helikopter met tien militaire passagiers kwam in 2009 in Afghanistan in de problemen. Vijf van hen kampen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Zij verwijten Defensie het incident te hebben weggewuifd.

 Door: Merijn Rengers en Kasper van Laarhoven

 13 april 2018 om 23:06

10 december 2009, 15.06 uur Kamp Holland

Het is tjokvol en warm in de DODO-44 die opstijgt vanaf de Nederlandse compound nabij Tarin Kowt – de hoofdstad van de Afghaanse provincie Uruzgan. Het deert de tien militaire passagiers in de Cougar transporthelikopter niet. Ze hebben allemaal iets om naar uit te kijken.

Zes van hen komen van de Luchtmobiele Brigade en zijn onderweg naar de stranden van Kreta. Daar sluiten uitgezonden militairen hun periode in Afghanistan traditiegetrouw af met een combinatie van bier, zwembad en een debriefing. De vier overige passagiers komen van andere eenheden en gaan twee weken met verlof.

Alle passagiers dragen zware scherfvesten. Hun volgepakte woodlands, oversized sporttassen in camouflagekleuren, staan opgestapeld in de toch al overvolle helikopter. Eerste bestemming is Kandahar Airport, waar ze zullen overstappen op een nachtvlucht richting Europa. Naast hen vliegt de DODO-45, eenzelfde Cougar, die met nog eens tien passagiers dezelfde route aflegt.

De vlucht van veertig minuten is het gevaarlijkste deel van hun terugreis, dwars door Talibangebied en langs een aantal hoge bergkammen. Voor Defensie is het „een routinevlucht”. Het voorbereiden van een „juiste en gedegen briefing” aan de crewleden (een piloot, gezagvoerder, boordschutter en loadmaster) kostte de inlichtingenman ter plaatse een uurtje. Voldoende om de „vergrote kans op vijandelijk vuur, met name van klein kaliber wapens” het hoofd te bieden, zo staat in een ongevallenrapport van de Luchtmacht.

Later zal de crew gelauwerd worden voor hun koelbloedigheid tijdens deze vlucht, die hen bijna fataal werd. Voor de passagiers is dat anders. Zij zullen te horen krijgen dat er niets aan de hand was. Maar ook dat ze hun mond moeten houden. Vijf van hen behoren inmiddels tot het uitdijende legioen PTSS’ers, (oud)-militairen met oorlogsgerelateerde psychische klachten.

Na twintig minuten in de lucht verandert de helikoptertocht in een hellevlucht. De passagiers horen door de rotorherrie heen ‘tak tak tak’, waarna de heli plotseling scheef hangt. „Kogels”, denken ze gelijk. Dan zien ze in de cockpit waarschuwingslampen oplichten en lekt er hete olie de passagierscabine in, die rookpluimen achterlaat. De heli draait naar links en weer naar rechts en gaat steeds langzamer vliegen.

VIJF VAN DE TIEN HEBBEN PTSS

Vijf van de tien passagiers kampen met symptomen van PTSS. Drie zijn om die reden geen militair meer. Eén inzittende, zonder trauma, is het niet eens met de openbaarheid. Hij vindt het onprofessioneel om het ongenoegen uit te vechten in de media. „Sommige van ons zien dit als het middelpunt van wat er tijdens uitzending is gebeurd, maar het is uiteindelijk maar één van de vele incidenten.”

Ze zien de piloten voorin steeds drukker gebaren. Met een kaartenboek op schoot gaat de gezagvoerder op zoek naar een geschikte plek voor een noodlanding. Minuten later schrijft de boordschutter één woord op een plastic bordje: Frontenac. De passagiers hebben geen idee wie of wat dat is. Dan krabbelt de man „FOB” ernaast, Forward Operating Base. Blijkbaar koersen ze af op een verkenningspost.

Er lekt steeds meer olie de cabine in en de passagiers weten dat het mis is. Sommigen nemen foto’s. „Voor de nabestaanden”, zegt een van hen. Een ander probeert een afscheidsboodschap voor haar man op haar hand te schrijven, maar de balpen hapert. We gaan eraan, gebaart een passagier. Door een crash, of omdat we nauwelijks bewapend neerkomen in vijandelijk gebied. Als de Taliban mij krijgsgevangene maken, schiet ik mezelf dood – bedenkt een ander.

Na de beschieting schokt de DODO-44 nog twaalf minuten scheefhangend door de lucht. Dan dalen ze plotseling. De passagiers grijpen zich vast aan alles wat los en vastzit. Net boven de grond in Frontenac begint de Cougar te draaien en valt de laatste paar meter uit de lucht. „De helikopter is linksomdraaiend op het grind geland en enkele meters doorgerold”, aldus het luchtmachtrapport over de crash.

De passagiers moeten stapels tassen en materieel wegduwen om uit het toestel te komen. Een vrouw raakt verstijfd en in shock. Ze komt pas bij zinnen als een andere passagier haar een harde klap in het gezicht geeft.

Als iedereen op veilige afstand van de DODO-44 staat, blijkt de schade mee te vallen. Er is geen explosiegevaar en de passagiers kunnen zelf de bagage uit de heli halen. De staart van de heli is goed kapot, zwemt in de olie. Er zitten gaten in, kleine en grote. Ze blijven foto’s maken en wisselen de bestanden onderling uit.

Later zal een enorme Russische MI-26 helikopter de Nederlandse Cougar optakelen en terugvliegen naar Kandahar. Beelden daarvan halen het Russische nieuws.

10 december 2009, 18.00 uur Kandahar Airport

Enkele uren na de noodlanding worden de inzittenden in Frontenac opgehaald door een andere Cougar en naar Kandahar Airport gebracht. De ontvangst voelt als „een koude douche”, zegt één van hen. „We werden direct naar een werkcontainer ergens achteraf vervoerd”, vertelt een ander. „Daar waren twee Intell-mannen en de sfeer was onvriendelijk. ‘We weten dat jullie foto’s hebben gemaakt en die met elkaar hebben gedeeld’, zeiden de mannen. ‘We willen kopieën. Jullie mogen de foto’s houden, maar weet dat als er ook maar één naar buiten komt, jullie allemaal hangen.’”

Het tiental krijgt te horen dat er geen sprake was geweest van een beschieting maar van een „hydraulisch probleem” en een „landing uit voorzorg”. „Haal je niets in je hoofd, er is niets gebeurd”, wordt hun gezegd. En dat is het. Zij worden doorgestuurd naar de transitietent om te wachten op hun vlucht richting Europa. Daar staan groepen andere terugkeerders te wachten. Het tiental valt uit elkaar, en iedereen doet zijn verhaal bij naaste collega’s.

Op ongeveer hetzelfde moment doet Defensie een kort persbericht de deur uit. Over passagiers rept het niet, wel over een beschieting. Het bericht insinueert een routine-incident en wordt niet opgepikt door de media. De passagiers, van wie er inmiddels zes onderweg zijn naar Kreta, krijgen er niets van te horen.

Op Kreta volgen de militairen een zogeheten „adaptatieprogramma” om de overgang naar Nederland soepel te laten verlopen. In de bijbehorende groepsgesprekken vertellen de militairen wat ze hebben meegemaakt. Sommige passagiers van de DODO-44 vertellen over het incident. De gespreksleider maakt notities en gaat dan verder met zijn checklist. Niemand hoort er via Defensie iets van terug.

Een jaar later wordt de eerste passagier met stressstoornis PTSS gediagnosticeerd. „Op dat moment hadden de alarmbellen moeten gaan rinkelen bij Defensie”, zegt een andere passagier. „Toen hadden ze moeten beseffen: ‘Oh, mensen hebben hier last van, hier moeten we iets mee.’”

In 2014 blijkt dat ook hij PTSS heeft. Er zijn incidenten tijdens het stappen, agressie. Collega’s herkennen hem niet meer. „Als je je realiseert dat je problemen hebt, ben je al te laat”, zegt hij. „Je denkt dat je normaal reageert op mensen om je heen, totdat je je vrouw er ineens uitzet omdat het in de hersenpan niet meer klopt. Je leeft op het randje, bent continu alert, reageert onwijs snel op alles.”

29 april 2015, 23.00 uur Pauw

Na ruim vijf jaar individuele sores zien de passagiers op 29 april 2015 plots een reclamespotje van Pauw. Die avond blijkt de piloot van hun vlucht te gast bij het tv-programma. Ter ere van 70 jaar bevrijding vertelt zij in geuren en kleuren over de bijna-crash en haar heldhaftige optreden. Om de spanning van de vlucht te illustreren, worden archiefbeelden en audio-opnames uit de heli getoond.

Een van de passagiers zit die avond trillend naast zijn vrouw op de bank. Binnen een milliseconde bevindt hij zich weer in de Cougar. Hij ruikt de lekkende olie en voelt de schokken van de heli. Zijn hartslag versnelt en de angst is terug. Negentig kilometer verderop heeft een andere passagier exact dezelfde ervaring.

Daarna komen de vragen. Waarom wisten zij niet van de uitzending? En waarom praat de piloot op televisie openlijk over het incident, terwijl zij al die tijd hun mond moesten houden? Naast de piloot in uniform zit haar zus, fotograaf en model, die vertelt hoe goed ze is geïnformeerd over het helikopterincident.

Na de uitzending zoeken de twee passagiers contact met elkaar. Samen besluiten ze hun vragen bij de eenheidscommandant en vervolgens de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht neer te leggen. Als ook het contact met deze Defensiebemiddelaar tot niets leidt gaan ze op zoek naar de geluidsband, in de hoop dat het afluisteren helpt bij de verwerking. Ze maken een afspraak op de vliegbasis met de piloot, die de audio-opname op een usb-stick in haar broekzak heeft. Maar de eenheidscommandant intervenieert: ze mogen het niet horen. Privacyredenen, zegt hij. De piloot bemiddelt en ze krijgen tóch toestemming.

Vanwege de angst voor herbelevingen vragen de passagiers of ze de tape thuis kunnen beluisteren, samen met hun therapeut. Maar het mag alleen op de vliegbasis, in de aanwezigheid van de crew. De twee partijen komen er niet uit.

Op zoek naar antwoorden vinden de twee passagiers het ongevallenrapport van de Luchtmacht. Hierin staat dat de helikopter is beschoten, maar ook dat die vrijwel de gehele vlucht op een veilige hoogte heeft gevlogen. Die beweringen zijn moeilijk verenigbaar, aangezien de Taliban in Afghanistan met handvuurwapens geen hoog vliegende helikopters konden raken.

De passagiers vragen zich af of het officiële relaas over de vlieghoogte, de staat van onderhoud van de helikopter en het vervoerde gewicht klopt. Hun scepsis wordt gevoed door de foto’s die zij tijdens de vlucht hebben gemaakt. De bijna-crash zou veroorzaakt zijn doordat één kogel de twee hydraulische leidingen perforeerde en de daarboven gelegen staartrotor-aandrijfas openbrak. Het rapport noemt de metaalmoeheid van de as, maar een onderhoudslogboek van de heli ontbreekt. Defensie zegt desgevraagd dat er geen enkele documentatie meer is: ook de vluchtroute, evaluatie van de crew en passagierslijst ontbreken. Maar een van de passagiers werkt niet meer bij Defensie en krijgt zonder die lijst haar therapie niet vergoed. Zo stapelen het onbegrip en de boosheid zich op.

13 april 2018, 9.00 uur Defensie maakt een ommezwaai

De afgelopen maanden kwam de zaak in een stroomversnelling, dankzij de raadsman van het duo, Ferre van de Nadort. Hij kaartte de zaak bij Defensie aan. Van de Nadort heeft inmiddels contact met negen van de tien inzittenden. Ze delen hun ervaringen en foto’s, waardoor allerlei puzzelstukjes op hun plek vallen.

De samenwerking sorteert effect. Defensie is er inmiddels van doordrongen dat er in het verleden niet altijd zorgvuldig met de problemen van de passagiers is omgegaan. „Wat er is gebeurd, is gebeurd. Nu telt wat we op dit moment kunnen doen. We zijn inmiddels op stoom om het goed met deze mensen te regelen”, zegt een woordvoerder. „En uiteraard erkennen we de impact die het incident heeft gehad op de passagiers. Wij willen op allerlei manieren bijdragen aan hun verwerkingsproces, als daar behoefte aan is.”

Hoe de erkenning er precies uit gaat zien, is nog niet bekend – daarvoor zijn de gesprekken nog te pril. Een van de militairen hoopt dat na de draai van Defensie hij eindelijk kan beginnen met de verwerking van zijn trauma. „Er zijn een hoop dingen die ik nog steeds laat”, zegt hij. „Je ziet mij bijvoorbeeld echt niet in een drukke winkel. Dan heb ik geen overzicht en dan wordt het link, zowel voor mij als de mensen om mij heen.” Eerdaags wordt hij weer uitgezonden. Met zijn collega’s kan hij praten over zijn ervaringen. „Iedereen heeft wel íets meegemaakt”, zegt hij. „Dat maak het makkelijker.”

En of hij nu uitgezonden wordt of niet, hij wordt toch dagelijks met zijn trauma geconfronteerd. „Ik woon tegenover een vliegbasis en als ik daar of op werk een Cougar hoor, dan zit er weer middenin.”

OVER DIT ARTIKEL

Voor dit artikel sprak NRC met twee inzittenden en met Ferre van de Nadort, raadsman van de passagiers van helikopter DODO-44, die in 2009 in Afghanistan in de problemen kwam. NRC zag mails, brieven, foto’s en rapportages over de bijna-crash. De passagiers zijn nog steeds in dienst of anderszins bij Defensie betrokken en verschijnen daarom zonder naam in dit stuk.

 

Defensie biedt excuses aan voor ‘Peppi en Kokki’ incident

Beilen – Combat-fotograaf Rinze Klein heeft op 19 oktober jl. verschillende misstanden over onveilige situaties en ongewenste omgangsvormen binnen defensie aan de kaak willen stellen. Twee hooggeplaatste ambtenaren gaven zich tijdens dit gesprek uit voor ‘Peppi en Kokki’. Dit was onacceptabel voor Rinze Klein.

Klein had de vermoedens van misstanden eerder gemeld bij de hoogste militaire leidinggevende. Wanneer blijkt dat de informatie doorgespeeld wordt binnen de organisatie en zijn vertrouwelijkheid wordt geschonden, zoekt Klein het hogerop en doet zijn melding bij twee hooggeplaatste ambtenaren.

Klein, die als gevolg van zijn werkzaamheden een PTSS heeft, kwam in het nieuws nadat ook het melden bij de hooggeplaatste ambtenaren niet lukte en nadat defensie hem ontsloeg zonder vereiste vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid. Nadat defensie het eerdere ontslag van Rinze Klein heeft ingetrokken, geeft defensie nu ook haar excuses aangeboden voor het gedrag van haar ambtenaren tijdens het gesprek van 19 oktober jl.

De excuses komen kort nadat NRC Handelsblad bij defensie informeerde over beelden waarop te zien was dat een militair tot vier keer toe probeert een grote lichtkogel in zijn anus te stoppen, terwijl een deel van de aanwezige militairen en onderofficieren juichend en fotograferend de vergeefse pogingen van de soldaat gadeslaat.

Raadsman Ferre van de Nadort, die eerder zijn zorgen uitte over de wijze waarop defensie omgaat met het melden van misstanden, vindt het uiterst zorgelijk hoe ambtenaren op het hoogste niveau omgaan met meldingen en heeft zich daarover vervolgens beklaagd. De excuses zijn een goede stap, maar Van de Nadort geeft aan een onderzoek te willen naar de wijze waarop wordt omgegaan met meldingen van vermoedens van misstanden en de wijze waarop de vertrouwelijkheid van Klein is
geschonden.

Defensie onderzoekt heftige beelden van fotograaf met PTSS

Gesloten cultuur

NRC 3 november 2017 om 23:02 | Een getraumatiseerde oorlogsfotograaf verwijt Defensie een gesloten cultuur waardoor onveilige situaties zijn ontstaan.

Het ministerie van Defensie gaat onderzoek doen naar een reeks misstanden en de behandeling van voormalig combat-fotograaf Rinze Klein. Dat bevestigt een woordvoerder naar aanleiding van vragen van NRC over diens levensverhaal.

De oorlogsfotograaf vertelt in NRC wat hij meemaakte tijdens uitzendingen naar Afghanistan en Tsjaad. Hij beschrijft onder meer het gebruik van onveilig materieel, ongewenste seksuele omgangsvormen en het nodeloos in gevaar brengen van burgers. Deze excessen zijn volgens hem terug te voeren op de gesloten cultuur bij het leger.

Lees hier het verhaal van Rinze Klein: ‘We maakten vooral dingen kapot’

Het ministerie wil niet inhoudelijk reageren. Een woordvoerder zegt dat het departement Klein dankbaar is dat „hij zich als militair heeft ingezet voor onze veiligheid” en dat het betreurt dat hij „het gevoel heeft dat hij zijn melding niet in een veilige omgeving kan bespreken”.

 

Compromitterende foto’s

Klein en zijn raadsman Ferre van de Nadort hadden twee weken geleden een aanvaring met twee topambtenaren aan wie zij compromitterende foto’s en video’s wilden overdragen. Het duo omschreef zich in het gesprek als de „Peppi en Kokki” van het departement, waardoor Klein zich niet serieus genomen voelde en de beelden weer mee naar huis nam.

De Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gaat zijn meldingen nu in behandeling te nemen, aldus de zegsman. Na de vragen van NRC is het voorgenomen ontslag van Klein ongedaan gemaakt.

Het verhaal van Klein staat niet op zichzelf. Eerder deze week deden in de Volkskrantdrie (oud-)militairen hun verhaal over de pesterijen, intimidatie en aanrandingen op de Oranjekazerne in Schaarsbergen. In oktober traden defensieminister Jeanine Hennis (VVD) en Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp af naar aanleiding van een kritisch rapport over een mortierongeval in Mali.

Defensiefotograaf: ‘We maakten vooral dingen kapot’

Aan het front

Merijn Rengers 

Als fotograaf van defensie was Rinze Klein tien jaar in de frontlinies. Hij liep een posttraumatische stressstoornis op. Nu pas praat hij over wat hij zag. ‘Ik ben niemand tegengekomen die me goed kon uitleggen wat we aan het doen waren.’

Zijn bepakking verraadt zijn dubbelrol: behalve pistool, mitrailleur, scherfvest en -bril zeult hij twee spiegelreflexcamera’s mee. De anderen in de legerjeep zijn rednecks, blanke jongens van het Amerikaanse platteland. Ze kauwen tabak. Vlak achter hun humvee rijdt een Afghaan op een motor, tegen de voorschriften in. Niemand mag dicht in de buurt van een westers legervoertuig komen. Een Afghaan al helemaal niet.

Watch this, guys, zegt de chauffeur en trapt vol op zijn rem. De motor knalt bovenop het legervoertuig. De mannen horen een harde klap. Ze zien in de spiegel dat de motor in puin ligt, net als de berijder. De humvee trekt onmiddellijk weer op. De Amerikanen lachen en spugen hun uitgekauwde tabak in een flesje. Honderd meter verder is het alsof ze de kapotte motor alweer vergeten zijn. Net als de kapotte Afghaan.

Lees ook Defensie onderzoekt heftige beelden van fotograaf met PTSS over de reactie van Defensie op dit verhaal.

Rinze Klein vertelt zijn verhalen soms achteloos, soms lachend, soms boos. Verhalen over de zinloosheid van de missies naar Afghanistan, over vernederingen, de adrenaline van soldaten na een vuurgevecht en de rotgeintjes die militairen uithalen. En over hoe de oorlog zijn hoofd in sloop en hij in 2010 volledig getraumatiseerd met een fiets en een slaapzak de Veluwe op vluchtte, stopte met eten en drinken en bijna blind werd.

Klein is inmiddels „in gevechtsmodus”. Hij vecht voor zijn toekomst, voor zijn familie, voor zijn inkomen – zo voelt hij dat. En voor zijn collega’s. Hij hoopt dat zijn verhaal andere militairen helpt die worstelen met oorlogstrauma’s of Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Hij wil hen ook waarschuwen voor „kille en slordige” bureaucratie bij defensie. „Als je buiten de boot valt, word je een nummertje. Dat kan je tot waanzin brengen.”

 

Amsterdam, 2017

Rinze Klein oogt niet als een oorlogsveteraan, eerder als een student aan de kunstacademie. Alleen zijn permanente alertheid verraadt zijn militaire verleden: hij ziet alles en kan plotseling gaan zweten. Hij draait kleine shagjes op het pleintje achter de NRC-redactie. De meeste gooit hij half opgerookt weer weg. Hij is net langs geweest bij de fotoredactie, met zijn laptop. Die staat vol officiële defensiefoto’s; het resultaat van tien jaar fotograferen aan de frontlinie.

Klein is eerdaags militair af. Nadat hij in 2010 het bos in vluchtte en vervolgens zes weken in de psychiatrische afdeling van het militair hospitaal zat, is hij van het kastje naar de muur gestuurd. Vanwege zijn PTSS is hij voor 27 procent afgekeurd – net onder de grenswaarde van 35 procent. Daardoor heeft hij geen recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Doorwerken bij defensie is een illusie. Hij heeft te veel gezien en te veel vastgelegd, op beeld en in zijn hoofd. Bovendien is bij hem in 2013 neuralgische amyotrofie in de schouder geconstateerd, een stressgerelateerde spierziekte waardoor hij nooit meer zal kunnen schieten – geen kogels en geen foto’s. Als hij niet oppast, raakt zijn arm voor altijd verlamd.

Zijn huis in de Noordoostpolder heeft hij net verkocht, uit geldzorgen. Volgende maand verhuist hij naar een recreatiewoning in Drenthe. Daar wil hij zijn kinderen op de bakfiets naar school brengen en moet hij „zeker drie jaar revalideren”. Zijn huwelijk met zijn jeugdliefde heeft het gered – zijn vrouw en schoonfamilie „vechten met hem mee”. Hij praat sinds kort over wat hem dwars zit, iets wat hij in het verleden nooit wilde.

Tussen 2003 en 2009 reisde Klein de wereld over. Eerst als chauffeur en beveiliger, daarna als combat-fotograaf – een vlieg op de muur van de oorlog. Hij was in dienst van het Nederlandse ministerie van Defensie. Hij fotografeerde onderzeeërs, generaals, drones, gevechtssituaties, wachtpelotons, lijkkisten met inhoud, ontgroeningsrituelen en wederopbouwprojecten.

Goede oorlogsfoto’s en -video’s zijn cruciaal voor het imago van de krijgsmacht. De beelden die het Media Centrum Defensie verstrekt, bepalen hoe het thuisfront het leger ziet, zeker tijdens gevaarlijke uitzendingen.

 

Afghanistan, 2003

De sfeer in Afghanistan is optimistisch als Klein er voor het eerst landt. De zwaarste bombardementen van de Amerikanen zijn net achter de rug. Er moeten bases gebouwd en vrienden gemaakt. Vandaar de strikte orders: wie met een Afghaan praat, zet zijn zonnebril af en is beleefd. Klein rijdt er rond in een onbeschermde open jeep, met Duitse nummerplaten.

Hij is uitgezonden als chauffeur, schrijver en bewaker van een Nederlandse majoor, die als liaison (verbindingsofficier) werkt voor de NAVO. Beveiligd internet bestaat nog niet in Afghanistan, waardoor het duo per auto rondtoert, om bij verschillende legerposten geclassificeerde informatie te halen en brengen.

Klein werkt nog niet officieel als fotograaf, maar heeft zijn camera altijd bij zich – net als een doos fotorolletjes. Fotograferen leerde hij op de fotovakschool en op de foto-academie in Amsterdam, als onderdeel van het scholingsprogramma van defensie.

„Naïef en optimistisch waren we”, zegt hij. „De majoor en ik wilden iets aardigs doen voor de nomaden die we vaak tegenkwamen. Op de basis hebben we een enorme doos brownies voor ze meegenomen. Twee weken later vroegen ze of we volgende keer een pan of een zeil konden meenemen. Geen brownies meer. Die hadden ze uit beleefdheid opgegeten en enorme diarree gekregen.

„De sfeer in het land was hoopvol, maar dreiging hing in de lucht. Vlak voor mijn terugkeer moesten we met onze jeep stoppen omdat voor onze neus een opstootje ontstond. Een Afghaan had een aanrijding veroorzaakt en werd door een kleine menigte uit zijn auto gesleurd. Hij werd voor onze ogen uit elkaar getrokken. In onze open auto zagen we het gebeuren, maar we konden en mochten niet uitstappen.”

Thuis zag Klein de gelynchte Afghaan in zijn dromen terugkomen. Hij had er geen plek voor, geen woorden. „Mijn vrouw zei: praat er toch met iemand over. Maar dat vond ik iets voor watjes. Er moest gewerkt worden, dan zou het weggaan.”

 

Afghanistan, 2007

„Ik werd aangenomen bij de nieuw opgerichte audiovisuele dienst, waar beeldmakers en schrijvers van alle legeronderdelen samenwerkten. Ik moest meteen op uitzending. Er was een plek vrij gekomen in Kandahar, waar de NAVO een enorme basis bouwde voor de opgelaaide strijd tegen de Talibaan.

Mijn voorgangers bleken vlak voor mijn komst gesneuveld bij een helikoptercrash

„Onderweg werd me de reden van alle haast duidelijk. Mijn voorgangers bleken vlak daarvoor gesneuveld bij een helikoptercrash. Dat had niemand mij verteld. Ik kwam terecht op een lamgeslagen communicatie-afdeling, waar ze net twee fotografen in een lijkkist op het vliegtuig naar huis hadden gezet. Ik heb hun bureaus en spullen opgeruimd en een plek voor mezelf gecreëerd. Ik sloot me af en stortte me op mijn nieuwe baan.

„Ik was in feite eigen baas. Den Haag was ver weg en ik verkeerde tussen buitenlandse militairen. Ik vermeed de generaals en hoogwaardigheidsbekleders die de basis niet afkwamen en bij voorkeur foto’s van zichzelf en hun bezoek bestelden. Ik wilde soldaten in actie in beeld brengen en het leven buiten de poort.

„Ik ging mee naar wederopbouwprojecten, gevechtsmissies en konvooien. Dat leverde precies de beelden op die Den Haag wilde hebben. Maar ik zag ook de achterkant. Ik herinner me een jongen met een opgezwollen balzak, toen ik buiten de poort mee was met een arts. Als klein kind ben ik aan zoiets geholpen, maar deze jongen niet. Er was geen plek voor hem in het militaire hospitaal op de basis. Hij bleef in zijn dorp, met zijn enorme balzak, en ging ook niet op de foto.

„Ik heb een week gebivakkeerd op een forward operating post, waar honderd Afghaanse militairen, aangestuurd door vier Canadezen, een doorgangsweg bewaakten. De Afghanen waren superaardig, maar militair was het een bende. Ze begonnen soms in het wilde weg te schieten. Andersom gebeurde dat ook. Dan stond ik op de wachttoren en vlogen opeens de Talibaan-kogels om mijn oren.

Foto Rinze Klein / collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie

„Die week werd er luchtsteun ingeroepen en stond ik met mijn camera klaar om het inslaan van de bommen op de Talibaan, een paar honderd meter verderop te fotograferen. Daarna zag ik dat huurlingen – die normaliter voedselkonvooien bewaakten – het dorp introkken. Zij waren op die plek vaak beschoten en wilden wraak. We hoorden ze als gekken schieten. Zonder getuigen, zonder rules of engagement.”

Bij het werk van een combat-fotograaf hoort ook het vereeuwigen van pas gesneuvelden, uit een groot aantal landen. Bij thuiskomst zijn hun lijken vaak te opgezwollen om fatsoenlijk gefotografeerd te worden. Klein fotografeerde tientallen kisten, met en zonder inhoud. „’s Nachts was het veiligste tijdstip voor de afscheidsceremonie. De meeste soldaten gingen daarna direct weer naar bed, maar ik was nog uren bezig de foto’s te bewerken en te versturen. Als ik uiteindelijk ging slapen, zag ik de beelden nog steeds.

Tsjaad, 2008

Terug in de Noordoostpolder komt het leven van alledag Rinze Klein absurd voor: de groene weiden, het heldere kraanwater, de warme douches en de mensen die ruzie maken over een plek in de rij bij de Albert Heijn. Sociaal raakt hij in een isolement. Hij slaapt slecht en wordt zwetend wakker, zonder te weten waarom.

Hij is blij als hij weer weg kan: deze keer naar het Afrikaanse Tsjaad, waar een peloton van zestig Nederlandse mariniers deel uitmaakt van een Europese vredesmissie. Die heeft militair weinig om het lijf – er wordt niet één keer gevochten – maar dient ook als voorbereiding op de inzet van mensen en materieel, later in Afghanistan.

„Mariniers hebben hun eigen cultuur. Ze smeren bijvoorbeeld de toiletpot aan de buitenkant vol met stront, zodat de kak op je broek komt te zitten als je die na het poepen weer ophijst. Dat vinden ze grappig. Ze hebben ook gekke ontgroeningsrituelen, zoals het ‘tot 21 slaan’. Ik was erbij toen ze in dat kader een jongen op zijn 21e verjaardag één voor één keihard op zijn blote reet ramden. Ze mikten eieren, pils en zand op zijn billen om het pittiger te maken. Die jongen kon dagen niet meer zitten, maar hij was wel one of the guysgeworden.

„Schietoefeningen ontaardden in gekke spelletjes. Wie het dichtst over het maaiveld kon schieten, bijvoorbeeld. Eentje mikte te laag, waardoor de mortier te dichtbij insloeg en er een stuk metaal terugvloog. Daardoor raakte een collega gewond aan zijn hoofd. Ook schoten ze met mortieren in bewoond gebied, waar dat helemaal niet mocht.

Tijdens een nachtelijke patrouille in Tsjaad.

Foto Rinze Klein / collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie

„Er werd in de woestijn van Tsjaad geoefend met Vikings – lichte terreinvoertuigen die later in Afghanistan zijn ingezet. Een chauffeur vertelde mij dat hij zich onveilig voelde in zijn Viking, vanwege alle technische problemen. Hij zei dat de software door de hitte op tilt kon slaan, waardoor hij slechts stapvoets kon rijden. Later is hij in Afghanistan met een Viking op een bermbom gereden.

„Het meest vervreemdend waren bezoeken van Kamerleden. Ik moest de foto’s maken – voor hen leek het een schoolreisje. De een kwam in tropenpak, de ander op gekke winterschoenen. Ze bezochten vliegensvlug een vluchtelingenkamp, een net geverfd schooltje of een waterput. En weg waren ze weer. Maar ik wist dat de achterkant van de school een zooitje was, of dat de putten verderop allemaal kapot waren. De beelden die ik maakte en die in Nederland in kranten en op websites verschenen, waren altijd mooier dan de werkelijkheid.”

 

New York, 2009

Na Tsjaad hervat Klein zijn reguliere werk, vanuit Den Haag. Hij heeft hartkloppingen en staat strak van de spanning. De bom barst als hij in 2009 met de marine meevaart naar de VS, naar de viering van 400 jaar New York. Op de boot krijgt hij een aanvaring met een communicatie-medewerkster van Defensie. Ze is jonger dan hij, maar hoger in rang.

In New York fotografeert hij als een dolle. Het Koninklijk paar, Hillary Clinton. De laatste avond eet hij op Manhattan met collega’s als hij spontaan in huilen uitbarst. Terug in Nederland deelt hij een taxi met de communicatie-medewerkster. Ook zij is gesloopt van de intense week en zit te duimen in de taxi. „Dat was op de een of andere manier de druppel. Alles maalde in mijn hoofd en zij stak als een klein meisje haar duim in haar mond. Ik wist dat ik op zoek moest naar hulp. Anders zou ik iemand iets aandoen.”

Ik ben gillend van de pijn het bos uitgerend en werd direct opgenomen in een militair psychiatrische inrichting.

In juni 2010 meldt Klein zich ziek en wordt bij hem PTSS geconstateerd. Hij krijgt medicijnen en gaat – met toestemming van de bedrijfsarts van Defensie – re-integreren in het bedrijf van zijn zwager, waar hij kleine klusjes doet.

Daar bereidt hij in stilte zijn vlucht voor. „Ik heb op een middag een servicewagen gepakt, mijn fiets, rugzak en tent ingeladen en ben naar de noordkant van de Veluwe gereden. Daar heb ik de auto achtergelaten en ben ik het bos in gefietst. Ik wilde niet gevonden worden. Ik verplaatste mij ’s nachts en rustte overdag uit. Mijn familie was doodongerust.

„Dit was mijn manier van zelfmoord plegen, mijn schreeuw om aandacht. Ik wilde niet dood, maar ik at en dronk niet. Toen ik na een week in het bos verzwakt en met bevroren tenen wakker werd, probeerde ik een vuurtje te maken. Ik deed iets onhandigs, waardoor mijn hoornvliezen zwaar beschadigd raakten. Ik ben gillend van de pijn het bos uitgerend en werd direct opgenomen in een militair psychiatrische inrichting.”

Den Haag, 2017

Op 19 oktober heeft Klein op het ministerie van Defensie een afspraak met twee hoge ambtenaren, samen met zijn raadsman Ferre van de Nadort. Zij willen de hierboven beschreven misstanden melden – en meer. Ook willen ze bewijsmateriaal, foto’s en video’s achterlaten.

Voorwaarde is wel dat Kleins PTSS ter sprake komt. Defensie wil hem ontslaan, zonder recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Maar zijn pogingen om buiten defensie een bestaan op te bouwen zijn mislukt, als gevolg van zijn oorlogstrauma’s.

Het wordt een fiasco. De ambtenaren noemen zichzelf de „peppi en kokki” van het departement en willen de beelden niet bekijken. Klein en Van de Nadort voelen zich niet serieus genomen en rijden onverrichter zake terug naar huis. Later dienen ze een klacht in.

Het voelt voor Klein als een trap na. „Ik wil mijn leven bij defensie op een nette manier afsluiten, maar het lijkt alsof ze mijn verhaal en alle beelden die dat ondersteunen niet willen kennen. Alsof het niet gebeurd is. Alsof het alleen mijn probleem is dat ik hun oorlog niet van mijn netvlies krijg.”


Bron foto: ‘Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie’; vervaardiger: Rinze Klein.

1 2 3 4 5