Zorgelijke reactie Defensie op berichtgeving rond gasmaskers

De gasmaskers die Defensie ter beschikking stelt aan Nederlandse militairen bieden onvoldoende bescherming. Defensie weet dat al sinds 2005, zo blijkt uit een TNO-onderzoek dat ik in handen kreeg.

 

 

Samenvatting TNO-onderzoek naar gasmaskers

Uit een eerdere studie is gebleken dat, mits verstrekt in dejuiste maat, goed afgesteld en na voldoende training, het Nederlandse FM 12 gasmasker in staat is om in rust voldoende bescherming te bieden. Het beschermingsniveau tijdens daadwerkelijk inzet dient echter nog bepaald te worden. Een methode ontwikkeld om de bescherming van het gasmasker in bet veld te meten toonde reeds aan dat bij het doorlopen van een oefeningen zoals hardlopen, kruipen en springen de beschermingsfactor zoals gemeten in rust een te rooskleurig beeld geeft van het daadwerkelijke beschermingsniveau van het masker. In de voorliggende studie wordt inzicht gegeven in bet bescbermingsniveau van het Nederlandse gasmasker tijdens realistische NBC-oefeningen.

Tijdens een drietal veldproeven werd gebruik gemaakt van speciale voor deze metingen ontwikkelde apparatuur om de lekkage van het gasmasker te meten. Gelaats- en uitlaatventiellekkage zijn verantwoordelijk voor de belangrijkste bijdrages van het mogelijk slecht functioneren van gasmaskers. Aanvullend aan de lekkage-metingen werden ook de bewegingen van het masker en de druk in het masker geregistreerd. De druk in bet masker is vervolgens om te zetten in een  ademhalingspatroon. Zowel negatieve druk als gevolg van zware ademhaling en beweging kunnen oorzaken zijn voor een toename in lekkage.

Twee van de drie veldproeven zijn gehouden in Engeland en waren georganiseerd door DSTL, ons Engels zusterinstituut, welke over vergelijkbare apparatuur beschikt. Tijdens de eerste twee veldproeven werd realistische oefeningen uitgevoerd door militairen zoals schieten, hardlopen, voertuig entsmetten en het lopen van een verkenningspatrouille. Tijdens een derde oefening op de vliegbasis Leeuwarden werd in een schietsimulator geschoten om het effect van terugslag op de bescherming van bet masker te kunnen meten. Gedurende alle drie de veldproeven waren de soldaten gekleed in volledige NBC-uitrusting em ook ze ook de effecten van warmte, gewicht en bewegingsbeperking mee te nemen en de oefeningen realistischer te maken.

Analyse van de veldproeven leert dat bet Nederlandse FM 12 gasmasker lang niet altijd voldoende bescberming biedt. Hoewel geen directe correlatie kon worden gevonden tussen de beschermingsfactor enerzijds en specifieke bewegingen zoals schieten, inspanning gekoppeld aan zware adembhaling anderzijds, is toch overall een trend te zien dat bij extreme bewegingen en zware inspanning bet beschermingsniveau van het masker (te ver) daalt. Overigens lopen de resultaten tussen militairen enderling sterk uiteen. Het ademvolume tijdens inspanning stijgt van ongeveer 20 l/min tijdens de oefening tot maximaal 100 l/min. Het gemeten beschermingsniveau kan als basis dienen in studies die inzicht geven in hoeveelheden slachtoffers tijdens een NBC-aanval. Daarnaast kan de opgedane kennis over het bescbermingsniveau van (delen van) oefeningen dienen als uitgangspunt voor het opstellen van doctrines, wat wel en niet te doen wanneer het masker gedragen wordt. Tenslotte dienen de vastgestelde ademhalingspatronen omgezet te worden in realistische testen waarbij de capaciteit van de filterbussen realistisch wordt bepaald.

Nu worden filterbussen nog getest met relatief veel lagere luchtsnelheden. Ondertussen is bet onderzoek voortgezet onder additionele financiering van bet KPU bedrijf. Tijdens bet vervolgonderzeek worden onder andere klimatologische omstandigheden bij bet onderzoek betrokken.

Levensgevaarlijk! Oordeel zelf…

Wanneer een organisatie zegt dat veiligheid voor haar eigen personeel hoog in het vaandel staat, dan schept dat verwachtingen. Zeker bij Defensie. Dan zet je "Mothers Finest" op belangrijke posities....
PTSS

Vakbondsman verrijkte zich met geld voor agenten met PTSS

De voormalig voorzitter van politievakbond ANPV heeft zich verrijkt met geld dat bestemd was voor politiemensen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het gaat om zo’n 130.000 euro. Ook loog hij over zijn kwalificaties zodat hij in een commissie kon plaatsnemen die moest beoordelen of agenten PTSS hebben opgelopen door hun werk.

Bron: NOS

Uit intern onderzoek van de politie blijkt dat ex-voorzitter Geert P. agenten met een posttraumatische stressstoornis hielp met het indienen van schadeclaims en daar zelf aan verdiende. Dat had volgens de politie niet gemogen. Dat de facturen toch zijn betaald, wijt de politie aan administratieve problemen tijdens de reorganisatie.

Verder gebruikte P. een vervalst cv en loog hij over zijn academische titels waardoor hij in de ‘PTSS-commissie’ kon plaatsnemen. “De voormalig vakbondsvoorzitter heeft deskundigheid voorgewend tegenover politiecollega’s en derden die soms in een kwetsbare positie verkeerden”, schrijft korpschef Erik Akerboom in een reactie. “Daarmee heeft hij hun belangen ernstig geschaad.”

Declaraties

De oud-voorzitter en twee andere bestuursleden van de ANPV hebben ook de vakbond zelf benadeeld. Uit het politieonderzoek blijkt dat ze daar te veel hebben gedeclareerd. Daarnaast ontvingen ze soms jarenlang toelages waar ze geen recht op hadden.

De drie medewerkers zijn vandaag door de politie ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. “Ze hebben de goede naam van de vakbond en de politie aangetast”, aldus Akerboom. Eerder werd al bekend dat ze voor de rechterzullen worden gebracht wegens fraude.

“Dit onderzoek bevestigt nog eens dat de drie oud-bestuursleden veel schade hebben aangericht”, reageert de huidige voorzitter van de ANPV, Xander Simonis. “Aan het korps, aan onze leden en onze vakbond en aan het vertrouwen dat mensen hebben in de politie.” Het nieuwe bestuur hoopt het vertrouwen in de politiebond te herstellen.

Aangifte

Voor hoeveel geld de bond is gedupeerd, valt niet meer te achterhalen. De ANPV heeft tegen zeven bestuursleden aangifte gedaan. Een deel van hen was in dienst van de politie.

De fraude kwam in 2017 aan het licht toen andere bestuursleden van de ANPV aan de bel trokken. Zowel de rijksrecherche als de politie deden daarna onderzoek. Wanneer de strafzaak dient, is nog niet bekend.

‘Veteraan wordt nu pas geholpen als-ie piept’

Veteranenombudsman Reinier van Zutphen was een tijd geleden in Afghanistan, om een idee te krijgen van de omstandigheden waaronder Nederlandse militairen hun missie moesten uitvoeren. „Op 500 meter van ons vandaan werd een aanslag gepleegd”, vertelt Van Zutphen. Even voelde hij iets van de stress die een militair vaker en heftiger ervaart – en die een trauma kan veroorzaken, net zoals de stress van een ontploffende bermbom, een inslaande raket, een neerstortende helikopter of een beschieting in een hinderlaag.

NRC, door Karel Berkhout

Bij sommige veteranen komt dit soort gebeurtenissen maanden, maar vaak ook jaren later terug in nachtmerries en in herbelevingen die zich op de meest onverwachte momenten voordoen. Dan is sprake van het posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), 3 tot 5 procent van de veteranen heeft er last van. Zij hebben behalve flashbacks veelal ook slaapproblemen, stemmingswisselingen (soms ook woede-uitbarstingen) en allerlei angsten, worden vaak wantrouwig en sluiten zich af, ook voor hun naasten. De PTSS-klachten kunnen zo ernstig zijn dat de veteranen niet meer (volledig) kunnen werken en hun relatie zien stranden.

Van de veteranen die zich met een klacht melden bij de Veteranenombudsman, sinds 2014 een extra rol van de Nationale Ombudsman, zijn die met PTSS in de minderheid. „Toch valt PTSS ons wel op, omdat de stoornis vaak zo ernstig is. Wie last heeft van PTSS is echt aan de beurt. En dat geldt niet alleen voor jezelf maar ook je partner en je kinderen”, zegt Van Zutphen. „Uit gesprekken met familieleden weten we dat PTSS zo’n enorme druk op het gezin legt dat de partner van de veteraan soms ook een trauma oploopt.”

De Veteranenombudsman greep niet alleen in bij individuele gevallen, maar schreef ook enkele kritische rapporten over onder meer de omgang met Afghanistan-veteranen (titel ‘Uit het oog uit het hart’). Want, zegt Van Zutphen: „Ik wil dat defensie ook zorgt voor de mensen die nu tussen wal en schip vallen. Daar kan nog wel een schepje bovenop.”

Deze rapporten bespreekt de Tweede Kamer maandag met minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) bij een overleg over het veteranenbeleid. Deze maand is het namelijk vijf jaar geleden dat Nederland de Veteranenwet kreeg en daarmee de verplichting voor de staat om bijzondere zorg te verlenen aan militairen die op missie zijn geweest. „Nederland is sindsdien bezig met een inhaalslag. Landen als Groot-Britannië, de Verenigde Staten en Canada hebben al veel langer een speciaal veteranenbeleid”, zegt Matthijs van der Hoeven, onderzoeker bij de Veteranenombudsman en zelf veteraan.

Die inhaalslag verloopt met horten en stoten, toont bijvoorbeeld het aanvragen van het Militair Invaliditeitspensioen (MIP) door (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte veteranen. Een zwaar getraumatiseerde Bosnië-veteraan kreeg het pensioen pas toegekend na zeven jaar van formulieren invullen en keuringen doorstaan – anderen pas na negen jaar. Naar aanleiding van dit soort gevallen stelde de Veteranenombudsman vorige maand een onderzoek in naar de afhandeling van de pensioenaanvragen. Van Zutphen: „Twee weken na onze aankondigingen van het onderzoek hadden we vijftig klachten binnen, allemaal nieuwe zaken.”

Wanneer is het onderzoek klaar?

Reinier van Zutphen (RvZ): „Kort na het zomerreces, is de bedoeling. Het ABP, de uitvoeringsinstantie van de pensioenen, noemt zelf de afhandelingstermijn van een half jaar, dus vragen wij: hoe komt het dat het niet lukt? Nu duurt het vaak anderhalf jaar of nog langer. Al die tijd zit de veteraan in onzekerheid en dat is onmenselijk. Het gaat om mensen die hebben gestreden voor vrijheid, veiligheid en recht en daarbij hun leven op het spel hebben gezet. We hebben in een wet vastgelegd dat ze recht hebben op erkenning, waardering en bijzondere zorg. Die moeten we dan ook geven.”

Waarom is dat bij PTSS zo lastig?

RvZ: „Er ontbreekt nogal eens begrip over wat PTSS precies betekent voor iemand. Zowel voor de behandeling als voor de keuring moet je naar een arts, maar voor iemand met PTSS is dat een moeilijke stap. Artsen moeten dat begrijpen, deugdelijk inzicht hebben in wat het trauma medisch gezien precies inhoudt. Die kennis ontbreekt nogal eens. Dat zagen we ook bij de Q-koortspatiënten, dat de kennis van artsen niet helemaal up to the standards was.”

In uw rapporten schrijft u dat ook veteranen zelf vaak niet om hulp vragen. Hoe komt dat?

RvZ: „Eigenlijk zijn alle veteranen trots op wat ze gedaan hebben en willen ze graag bij de krijgsmacht blijven horen. Vertellen dat het niet goed met je gaat, zou kunnen betekenen dat je niet meer mee kan doen. Dat hebben we gezien bij Afghanistan-veteranen die een trauma opliepen door de ontploffing van een bermbom. Daarnaast zijn er veteranen die eigenlijk niets meer met de organisatie te maken willen hebben. Zij ontkennen wat hun is overkomen en praten er ook niet over. Die worden met een rotwoord zorgmijders genoemd.”

Wat mag je in die gevallen verwachten van defensie?

RvZ: „Ik verwacht dat defensie heel voortvarend optreedt als veteranen na hun terugkeer de nazorg-vragenlijsten niet invullen. Daarover maakt ik me grote zorgen, want nu geldt ‘geen bericht is een goed bericht’. Ik zeg: ‘Geen bericht is een signaal dat je erop af moet gaan’. Dat is zeker bij PTSS zo want die klachten kunnen zich soms jaren na terugkeer ontwikkelen. Zo kennen we veteranen uit Libanon, die twintig jaar later ineens de herinneringen aan hun uitzending herbeleven. Dus als iemand niet reageert op een verstuurde vragenlijst, ga dan naar hem of haar toe. Maak persoonlijk contact. Zeg: ‘Ik ben er voor jou en kom maar als er wat is’. Wacht niet af.”

Onderzoeker Matthijs van der Hoeven (MvdH): „Als veteranen nog in dienst zijn, moet een commandant het verzuim goed in de gaten houden. Verzuim kan betekenen dat de man of vrouw zich een dag kennelijk niet lekker voelt. Maar het kan ook een signaal zijn dat er meer aan de hand is. Daarom moet de commandant vaker doorvragen.”

In een individuele zaak van een veteraan met PTSS, die volgens u ‘onbehoorlijk’ is behandeld, bleken reservisten zoals hij bepaalde voorzieningen niet te krijgen. Hoe is het nu met de positie van reservisten?

MvdH: „ Gedurende onderzoek heeft defensie ingezien dat de ongelijkheid niet klopte en is dat gaan rechtzetten. Reservisten hebben nu in de nazorg dezelfde rechten als gewone militairen. Reservisten verdienen wel extra aandacht, omdat ze tijdelijk in dienst zijn. Zo zijn jongens met een goede baan op de Amsterdamse Zuidas naar Afghanistan gegaan om daar het lokale bestuur te ondersteunen. Na vier tot zes maanden deden ze dat uniform uit en meldden ze zich weer in driedelig pak op hun werk. Ook hen moet je goed monitoren.”

RvZ: „Zoals de artsen en verpleegkundigen die geregeld meegaan op een missie naar bijvoorbeeld Afghanistan. Naar hen wordt met enige regelmaat goed gekeken. Dat moet je ook met andere reservisten doen.

„Wat we van reservisten ook leren is dat de lifetime employed beroepsmilitair niet meer vanzelfsprekend is. Veel militairen gaan uit dienst, maar waar blijven die dan en hoe gaat het met ze? Defensie moet beter haar best doen om die mensen in de smiezen te houden.”

Veteranen die zich melden raken vaak verdwaald tussen de verschillende instanties. Zien jullie dat ook?

RvZ: „Ja, om aanspraak te kunnen maken op voorzieningen moet je vaak eerst een invaliditeitspensioen krijgen. Als je door deze poort heen bent, gaan er deuren voor je open – maar je moet de poort wel vinden. Vervolgens word niet altijd verteld waar je aanspraak op kunt maken.”

MvdD: „Bijvoorbeeld: mensen die heel erg transpireren kunnen in aanmerking komen voor een wasvergoeding, elke maand wat extra geld om lakens en kleding te wassen. Er zit bij het invaliditeitspensioen een hele menukaart van dit soort voorzieningen, maar veteranen krijgen die niet te zien. Je krijgt het pas als je ‘piept’. Dit ‘piep-systeem’ vinden wij zo vreemd dat we het meenemen in ons onderzoek naar het pensioen.”

RvZ: „Dat is voor mij – en misschien dat ik dit iets te vaak zeg – een signaal dat we te maken hebben met de overheid. Met een overheid die vanuit systemen denkt en zich niet verplaatst in degenen voor wie ze aan het werk is. Zo krijg je klachtenprocedures en rechtszaken. Die kun je voorkomen door je te verplaatsen in de veteraan en je af te vragen: wat heeft deze man of vrouw op dit moment nodig? Die hoeft niet te baden in weelde tot het eind van zijn of haar leven, maar moet krijgen wat hij of zij nodig heeft om zelfredzaam te zijn en mee te blijven doen in de samenleving.”

Correctie (24 juni 2019): in een eerdere versie van dit artikel stond dat Reinier van Zutphen een aanslag in Mali meemaakte. Dat moet zijn: Afghanistan. Dat is hierboven aangepast.

Kamerbrief Defensie 20 juni 2019 (onderzoeken voorvallen KMA)

Op 13 december jl. heb ik, mede namens de minister, uw Kamer geïnformeerd over verschillende onderzoeken die Defensie op dat moment instelde naar aanleiding van enkele gesignaleerde voorvallen op het gebied van sociale onveiligheid en onwenselijk gedrag (Kamerstuk 35.000-X, nr. 76). De onderzoeksrapporten zijn inmiddels gereed. Ik informeer u in deze brief, mede namens de minister, over de bevindingen en maatregelen.

 

Onderzoeken NLDA naar ongewenst gedrag

Op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM), beide onderdeel van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), zijn in december jl. twee onderzoeken gestart naar aanleiding van signalen die de commandant van de NLDA op dat moment had ontvangen over ontoelaatbaar gedrag. Het ging enerzijds om het delen van kwetsend en beledigend beeldmateriaal in een WhatsApp-groep, waaronder afbeeldingen van pornografische en racistische aard en met verwijzingen naar Nazi-Duitsland (onderzoek 1). Anderzijds had de commandant van de NLDA signalen ontvangen die de sociale veiligheid betroffen, onder meer over ongepaste relaties tussen een kaderlid en cadetten (onderzoek 2).

In de bijlage bij deze brief vindt u de bevindingen van de beide onderzoeken, evenals de bevindingen van een derde onderzoek naar ontoelaatbare uitingen in relatie tot Nazi-Duitsland op een andere defensielocatie. Gelet op de bevindingen van de onderzoeken naar het ongewenste gedrag op de NLDA, ben ik van oordeel dat er sprake was van grensoverschrijdend gedrag door de betrokken studenten (onderzoek 1) en door het betreffende kaderlid dat relaties had met meerdere cadetten (onderzoek 2).

 

Maatregelen

Allereerst zullen algemene maatregelen worden genomen, zoals het nadrukkelijker uitdragen en strakker handhaven van de bestaande normen en het actief bevorderen van een sociaal veilige leef- en werkomgeving binnen de NLDA.

Daarnaast vraagt het om meer specifieke maatregelen. Op basis van het onderzoek naar het beeldmateriaal ben ik van oordeel dat vijf NLDA-studenten de normen op ernstige wijze hebben overtreden. Dit geldt ook voor het kaderlid dat relaties had met meerdere cadetten. Het proces dat moet leiden tot het treffen van passende maatregelen ten aanzien van deze studenten en het kaderlid is in gang gezet.

Ook zal een evaluatie plaatsvinden met en van de voor hen verantwoordelijke leiding ter plaatse met als doel herhaling te voorkomen. Met de overige betrokkenen bij de WhatsApp-groep en de voor hen verantwoordelijke kaderleden en docenten zullen gesprekken worden gevoerd waarin normbesef centraal zal staan, evenals het bevorderen van een cultuur waarin cadetten en leidinggevenden elkaar veilig kunnen aanspreken op ongewenst gedrag.

Bovendien zal dit incident in samenhang met de gedragscode en -regels Defensie in nader te bepalen werkvormen met alle studenten van de NLDA worden besproken om er lering uit te trekken.

Tevens wordt de SG-aanwijzing waarin regels zijn gesteld met betrekking tot het aangaan van relaties in de werkomgeving op korte termijn gepreciseerd met bepalingen die specifiek zijn toegesneden op de context van Defensie-opleidingen. Het gaat hierbij onder andere om het aanscherpen van de regels voor opleidingseenheden. Zodra dit gereed is, zal hier binnen de NLDA breed aandacht voor worden gevraagd. Voorts worden de richtlijnen omtrent het gebruik van social media en communicatie binnen groepen zoals WhatsApp nader gepreciseerd.

Uit het onderzoek sociaal veilige leef- en werkomgeving (onderzoek 2) en uit het werkbelevingsonderzoek dat is gehouden onder de NLDA-studenten, zoals aangekondigd in mijn brief van december, komt naar voren dat er ook maatregelen nodig zijn die voorwaardelijk zijn om een sociaal veilige leef- en werkomgeving te realiseren. Daarbij zal onder meer moeten worden gekeken naar de kwaliteit van huisvesting, de personele bezetting, het tegengaan van verveling, de inrichting van opleidingen, cultuur, communicatie, de verdeling van bevoegdheden en de samenstelling van het kader. Ik heb daarom de secretaris-generaal opdracht gegeven om een taskforce in te richten die de benodigde maatregelen in kaart gaat brengen en een plan van aanpak zal opstellen dat zich richt op de oplossing van problemen op systeemniveau. De taskforce betrekt hierbij ook de uitkomsten van het genoemde werkbelevingsonderzoek. Uiteraard zal ik uw Kamer op de hoogte stellen van de voortgang.

Mede namens de minister,

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Drs. B. Visser

Bijlage bij Kamerbrief Defensie 20 juni 2019 (onderzoeken voorvallen KMA)

Bijlage: bevindingen onderzoeken naar ongewenst gedrag

 

Onderzoek beeldmaterieel NLDA

Het onderzoek beeldmateriaal NLDA is ingesteld nadat de commandant van de NLDA een melding had gedaan omtrent signalen van ontoelaatbaar gedrag op de KMA, onderdeel van de NLDA. De melding betrof het in een WhatsApp-groep delen van beeldmateriaal van kwetsende en beledigende aard, waaronder afbeeldingen van pornografische en racistische aard en met verwijzingen naar Nazi-Duitsland. De onderzoekscommissie had de opdracht om onderzoek uit te voeren naar de feiten en omstandigheden waarop de melding van de commandant van de NLDA betrekking had, het vaststellen van welke personen bij de gedragingen waren betrokken, alsmede hun rol en aandeel daarin.

 

De commissie heeft de beschikking kunnen krijgen over achttien afbeeldingen waarvan het concrete vermoeden bestond dat die in de WhatsApp-groep van een specifieke klas binnen de NLDA waren gedeeld. De commissie kan echter niet uitsluiten dat er meer beeldmateriaal (bij derden) aanwezig is dat op deze zaak betrekking heeft.

 

De betreffende WhatsApp-groep was in eerste instantie bedoeld als communicatiemiddel ten behoeve van studie-gerelateerde activiteiten binnen de privé-omgeving van de betreffende klas. Dit gebeurde via privételefoons en niet via van rijkswege verstrekte smartphones. De groep is gaandeweg uitgegroeid tot het middel waarin berichten en beelden van allerlei aard werden gewisseld. Op meerdere van de aan de commissie ter beschikking gestelde afbeeldingen zijn defensiemedewerkers op een volstrekt onaanvaardbare wijze afgebeeld, dan wel is sprake van niet aanvaardbare opmerkingen bij bepaalde afbeeldingen. Bij een (klein) aantal afbeeldingen is gebruik gemaakt van ‘gefotoshopt’ historisch fotomateriaal uit de Tweede Wereldoorlog. Verschillende gehoorde personen hebben verklaard dat het gebruik van dit beeldmateriaal door enkele van de klasgenoten een uiting was van een bepaalde stijl van ‘harde humor’. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er sprake is van een inhoudelijke betrokkenheid bij of affiniteit met nationaalsocialistisch gedachtengoed.

 

Uit het onderzoek is gebleken dat binnen de betreffende klas een gering aantal studenten zich met het delen van dit type afbeeldingen bezig heeft gehouden. Binnen de groep bestond grote terughoudendheid om openhartig over de individuele betrokkenheid te spreken; vermoedelijk ingegeven door de vrees voor (rechtspositionele) maatregelen jegens deze individuen. Enkele klasgenoten hebben op enig moment de ‘verspreiders’ op hun gedrag aangesproken. De commissie heeft vastgesteld dat kaderleden geen deel uitmaakten van de WhatsApp-groep.

 

Onderzoek sociaal veilige leef- en werkomgeving

Het onderzoek met betrekking tot een sociaal veilige leef- en werkomgeving is ingesteld nadat de commandant van de NLDA signalen had ontvangen die de sociale veiligheid betroffen, onder meer over ongepaste relaties tussen een leidinggevende en cadetten. De commissie heeft tevens de besluitvorming in een aantal individuele NLDA-opleidingsaangelegenheden getoetst. Daarbij is de commissie gevraagd om te bezien of er uit de verschillende situaties en voorvallen een ‘rode draad’ is te destilleren, daar waar het gaat om het optreden dan wel voorkomen van onveilige situaties voor medewerkers en cadetten. Dat bleek naar het oordeel van de commissie niet het geval.

 

De commissie merkt samenvattend op:

– dat de richtlijnen omtrent ‘relaties’ tussen onder meer kaderleden en studenten scherper dienen te worden geformuleerd en beter moeten worden bekend gesteld;

– dat het onderling ‘aanspreken op incorrect gedrag’ onvoldoende geschiedt en dat opleiding en vorming op dit punt moeten worden verbeterd;

– dat in een aantal gevallen onderzoeken naar en besluitvorming omtrent integriteitsvoorvallen niet goed zijn verlopen, onder meer vanwege de gelaagde bevoegdheidsverdeling;

– dat de communicatie binnen de NLDA over gedragingen waarbij de sociale veiligheid in het geding was in enkele gevallen niet goed is verlopen;

– dat er, gezien de omvang van de opleidingspopulatie, behoefte is aan meer instructeurs;

– dat de huisvesting als gevolg van meerdere verbouwingen onvoldoende op orde is.

 

Onderzoek ontoelaatbare uitingen

Het onderzoek ontoelaatbare uitingen is ingesteld naar aanleiding van een melding betreffende een situatie waarbij sprake zou zijn van ontoelaatbare uitingen in relatie tot Nazi-Duitsland bij een eenheid van 11 Luchtmobiele Brigade. De onderzoekscommissie had als opdracht de feitelijke toedracht en/of achtergrond van de aangelegenheden waarop de melding zag, te onderzoeken. De onderzoekscommissie heeft een doorzoeking uitgevoerd bij de eenheid die op grond van de verkregen informatie daarvoor in aanmerking kwam. Ook zijn de melder en de andere personen die als betrokkenen konden worden aangemerkt gehoord.

 

Uiteindelijk heeft de commissie geconcludeerd dat de melding onvoldoende te onderzoeken was, hetgeen mede verband hield met het feit dat de melder zich van verdere medewerking aan het onderzoek onthield en informatie waarover de melder stelde te beschikken, niet heeft willen delen. De commissie heeft bij de doorzoeking van kamers en kasten geen zaken aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met nazisme of verheerlijking daarvan. De commissie heeft op basis van verklaringen wel vastgesteld dat binnen het betrokken onderdeel incidenteel een Hitlergroet is gebracht, maar heeft niet kunnen vaststellen door wie, waar en wanneer dit precies is gebeurd. Dat dit veelvuldig zou gebeuren, krijgt in het onderzoek geen bevestiging.

 

Hoewel uit het onderzoek niet is gebleken van een inhoudelijke betrokkenheid bij of affiniteit met nationaalsocialistisch gedachtengoed bij het betreffende onderdeel, is het brengen van de Hitlergroet – in welke situatie dan ook – volstrekt onaanvaardbaar. De commandant van het onderdeel zorgt ervoor dat dit in het opleidings- en vormingsprogramma wordt benadrukt.

1 2 3