Ferre van de Nadort werkt in Beilen als bedrijfsjurist vanuit het kleine voormalig NS-stationsgebouw aan grote zaken. Een deel van de week werkt hij voor nop, voor mensen die in de verdrukking zitten in spraakmakende zaken. ,,Ik ben niet money-driven.’’

Het valt direct op, de prachtige uitvergrote foto tegen de wand achter zijn bureau, van een Afghaans meisje, met op de achtergrond vaag silhouetten van militairen. Het individuele meisje staat centraal, niet de patrouillerende militairen. Ze kijkt elk bezoek recht in de ziel. De foto staat symbool voor de keuze die de jurist – ,,zeg maar Ferre” – heeft gemaakt: altijd de kant kiezen van het individu.

De foto kreeg hij van Rinze Klein, een voormalig defensiefotograaf, die hij bijstaat in een zaak tegen Defensie vanwege zijn posttraumatische-stressstoornis (PTSS). De combat-fotograaf raakte psychisch verstrikt in de afschuwelijke beelden die hij niet meer van zijn netvlies kreeg na tien jaar in de frontlinies. De uitvergroting – op de gang hangt er nog eentje, óók met kinderen – was zijn manier om Van de Nadort te bedanken voor zijn juridische hulp. Mede door Van de Nadort klom hij uit het moeras.

De jurist huurt het voormalig NS-gebouwtje in Beilen. Uiterlijk lijkt zijn kantoor nog altijd een kaartjesbalie. Niet verwonderlijk dus dat het gesprek wordt onderbroken door een reiziger die binnen loopt en vraagt of hij er een kaartje kan kopen. De treinreiziger heeft het rode bedrijfslogo gemist van Van de Nadort ondernemingsrecht & bedrijfsrecht op het voormalige stationsgebouw, waar nog altijd het blauwwitte NS-logo op prijkt.

 

PERSOONLIJKE ONTWIKKELING

Het is maandagochtend, binnen hangt nog de hitte van het tropische weekeinde. Dit is het domein van Ferre van de Nadort, landelijk bekend vanwege een aantal zeer spraakmakende zaken, waarmee hij geregeld de krantenkolommen haalt en aanschuift bij tv-programma’s.

Dat zijn zaken waarvoor hij cliënten geen stuiver vraagt. Van de Nadort is voor alles bedrijfsjurist. Kan erg goed contracten opstellen en uitonderhandelen, zegt-ie zelf. Hijzelf is er erg bescheiden over, maar de contracten waarover hij onderhandelt zijn bijvoorbeeld over grote infrastructurele projecten, waarmee duizelingwekkende bedragen zijn gemoeid. „Maar die moet je niet noemen, hé.” Sterker, hij is er zó goed in, en zijn klanten dermate tevreden, dat hij het zich kan permitteren een deel van de week zich in te zetten voor mensen die finaal in de knel zitten. Gratis. Zoals voor Drentse en Groningse provincieambtenaren die kapot werden gemaakt door falend onderzoek door een particulier recherchebureau, voor klokkenluiders of mensen met posttraumatische-stressstoornisklachten door hun werk bij defensie of politie.

Die keuze – om een deel van de week te werken voor cliënten die geen rekening krijgen – is het resultaat van de persoonlijke ontwikkeling van Ferre van de Nadort, die startte als luchtmacht-beroepsofficier bij Hawk-luchtafweerrakketten, rechten ging studeren in zijn eigen tijd bij de Open Universiteit, en daarna aan de slag ging als jurist bij de stafgroep Juridische Zaken van de luchtmacht.

Op die Haagse afdeling – kloppend hart voor het maken van keuzes in militaire missies in het buitenland – maakte hij een radicale keuze in zijn leven. Voor het individu. We maken de afspraak dat we dáárover spreken in zijn kantoor. Een keertje niet de spraakmakende dossiers centraal, die wel op de grond slingeren in zijn kantoor, maar de man erachter. Na het gesprek belt hij nog een keertje terug: ,,Over dossiers praten is veel gemakkelijker”, erkent hij.

Van de Nadort zit jarenlang bij de 3e Groep Geleide Wapens (3 GGW), gestationeerd op een legerkamp bij het Duitse stadje Blomberg, maar feitelijk is hij bijna constant op pad met zijn crew en hun Hawk-luchtafweersysteem. Waar precies hij al die jaren is geweest met die raketten, mag hij nog altijd niet zeggen. ,,Dat is verboden terrein.”

De crewcollega’s zijn allemaal slimme jongens, die elkaar bij de voornaam aanspreken, een hechte groep vormen en arrogante praatjes onderling niet dulden. In het laatste jaar leert hij zijn huidige echtgenote kennen. ,,Elke dag stuurde ik een kaartje naar huis, dat ik er eigenlijk geen zin meer in had, altijd van huis zijn. Ik zag ook geen persoonlijke ontwikkeling in die functie.”

 

BUL

In 1996 besluit hij te gaan studeren, bedrijfsrecht, aan de Open Universiteit. Na vijf jaar haalt hij zijn bul. Defensie vraagt hem ook internationaal humanitair oorlogsrecht te studeren. Hij studeert af op ‘robotic warfare’. Als defensiejurist werkt hij aanvankelijk voor de behandeling van bezwaar- en beroepsschriften. In december 1998 stroomt hij door naar de afdeling Juridische Zaken, waar hij kapitein wordt. ,,Als je ambities hebt, is dit het hoogste doel binnen de luchtmacht, de afdeling die zich bezig houdt met de operationele inzet en de juridische aspecten”, zegt Van de Nadort.

Als defensiejurist focust hij zich eerst op letselschadezaken, dossiers die niet bepaald populair zijn onder collega’s die zich liever buigen over operationeel recht, maar hem juist de kans bieden ‘een eigen huisje te hebben met een hoop vrijheid’. Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is dan nog een onbekende term. Vaag dringen berichten door over aandoeningen bij militairen die dan nog het Cambodja Klachten Syndroom worden genoemd. Pas in 2001 wordt PTSS voor het eerst genoemd in een letselschadedossier. Van de Nadort wordt specialist. Die zaken blijft hij jarenlang doen, zelfs nadat hij is afgezwaaid.

Zijn positie op Juridische Zaken wordt onhoudbaar in 2003, als de Nederlandse politiek akkoord gaat met het Nederlandse aandeel in de Stabilisation Force Iraq; meer dan 7.700 Nederlandse militairen worden naar Irak gestuurd om de vrede te beschermen.

Van de Nadort zit in het epicentrum van de voorbereiding op die missie. ,,Voor mij werd duidelijk dat we een ‘peace-keeping-operatie’ maakten van Irak, terwijl het daar allerminst vrede was. Dat is mijn Waterloo geweest bij Defensie. Je moet je voorstellen: ik begin er ‘s ochtends aan de koffietafel over met de collega-juristen die niet letterlijk weglopen, maar er ook niets van willen horen. Ik merkte: verboden terrein, om vraagtekens te zetten. Politiek is geen issue, defensie is een uitvoerende organisatie, dus doen we het.’’

Van de Nadort is zwaar teleurgesteld over het kamerdebat voorafgaand aan de missie. ,,Ik kreeg sterk de indruk dat het debat er alleen was voor de dossiervorming: voor de vorm een soort protest. Maar in een kamerdebat verwacht je een zinvolle discussie over welk wespennest we ons hoofd insteken. Bush had gezegd: het is vrede, dus ging het alleen over welke middelen we zouden meegeven met de ‘vredesmissie’. Ik vond het niet kloppen, geloofde er niks van dat het er vrede was. Elke dag ontploften bermbommen, waren er aanslagen op militairen. Het kamerdebat was een toneelspel waarmee achteraf gezegd kon worden ‘we waren nimmer helemaal voorstander’.

En daar zit hij dan, met zijn gewetensnood, op dé afdeling waar de juridische kant van militaire missies van de luchtmacht worden voorbereid, waar keuzen worden gemaakt over de rules of engagement voor de militairen: de sectie operationeel recht bij de stafgroep juridische zaken van de Koninklijke Luchtmacht.

,,Ik vind dat je mensen geen oorlog moet aandoen, tenzij je echt niet anders kunt. Het is zo’n tegenspraak dat je vrede brengt door met een leger naar binnen te rossen.” Hij zucht: ,,Overal ter wereld willen mensen hun kinderen opvoeden, een stabiel bestaan, een boterhammetje verdienen. Dat is universeel, zelfs in Afrika waar je zou denken dat het compleet is losgeslagen. Hoe meer je aan dat bestaansrecht peutert, hoe erger het is. Als je ergens naar binnen walst met een vreemde mogendheid, weten de bewoners niet of ze over een paar dagen nog leven. Die vreemde militairen schieten op alles wat rondrent, dat geeft zo’n extreme onzekerheid, daar doe je mensen nooit goed mee.”

 

ZWAAIT AF

Hij kan er onmogelijk blijven. Hij stapt naar een leidinggevende, wetende dat hij daarmee zijn carrière beëindigt. ,,Dan kan je niet verder met elkaar; mijn functie was het voorbereiden van missies, dat is dan geblokkeerd.” Hij springt op van de tafel, en haalt uit de boekkast Just & Unjust Wars, een standaardwerk over de ethiek van oorlog voeren, waarbij de auteur in een herdruk nadrukkelijk verwijst naar de verkeerde keuze voor oorlog in Irak.

,,Begrijp me goed, ik vond een goede oorlogsfilm vroeger heel leuk. Maar als je ouder wordt, krijg je zicht op het persoonlijke leed dat mensen wordt aangedaan. Over oorlogen wordt amper gesproken op individueel niveau, het altijd over het collectief. Maar het zegt niks dat in de eerste maanden van de oorlog in Irak 125.000 burgers zijn omgekomen. Zo’n groot getal is bijna irrelevant. Het verdwijnt en wordt als het ware gebagatelliseerd. Het wordt pas tastbaar als je op individueel niveau gaat kijken. Al die mensen die zijn doodgegaan. Mensen zoals jij en ik, geen militairen. Alleen omdat je in Irak bent geboren. Wat doet het met mensen in Afghanistan dat wij er rondbanjeren? Het is makkelijk te zeggen dat het een strijd is tegen de Taliban, lekker stigmatiserend, een vorm van framing. Al die Afghanen staan echt niet achter de Taliban. Saddam was ook slecht, staat buiten kijf, maar waarom ga je die bevolking zo’n hoop ellende aandoen met een oorlog, terwijl ze helemaal niet achter zijn beleid staan? Er is geen Nederlandse missie geweest waarvan ik dacht dat het helemaal klopte, behalve Joegoslavië, alleen toen kregen onze militairen onvoldoende middelen.”

Hij heeft zijn buik vol van defensie. Hij zwaait af. Focust zich op bedrijfsrecht, eerst bij een kantoor, binnen een jaar met zijn eigen kantoor. ,,Lekker veilig, niet meer overspoeld worden door gepieker en gevoelens van onmacht.”

Als ‘PTSS-expert’ behandelt hij nog enkele oude dossiers, en lobbyt door het hele land voor aandacht voor PTSS. Toen daar voldoende maatschappelijk aandacht voor was, liet hij dat ook los. ,,Een tijdje alleen bedrijfsrecht, liep gewoon lekker, focussen op het ophouden van mijn eigen broek.”

Maar dan komt het eerste telefoontje. Heeft niets te maken met bedrijfsrecht. Maar wél met onrecht op individueel niveau. Van een buitendienstmedewerker van de provincie Drenthe, belast met de controle van fietspaden, die werd beschuldigd van fraude. ,,Ik betrapte me erop tijdens het telefoontje dat ik dacht: ‘nou, er zal wel wat aan de hand zijn’. Ik schrok van mezelf. Hoezo? Omdat een provincie dat roept? Als iedereen zo denkt, gaat zo iemand de vernieling in. Ik besloot die man te helpen.’’

Het wordt een verbijsterende rollercoaster van maar liefst acht dossiers: medewerkers van de provincies Drenthe, Groningen en de Rijksuniversiteit Groningen die van fraude waren beschuldigd na schandalig slecht ‘integriteitsonderzoek’ van een particulier recherchebureau. Mensen die letterlijk aan de grond waren geraakt.

Bedrijfsjurist Van de Nadort bekommert zich om hen. Hij laat de werkgevers en het recherchebureau alle hoeken van de boksring zien. De eigenaresse van het omstreden recherchebureau wordt uiteindelijk ontslagen bij de politieacademie, waar ze ook nog eens bleek les te geven, terwijl dit wettelijk verboden is.

 

DAG IN DE WEEK

Hij besluit het structureel aan te pakken door zich één dag in de week te bekommeren om mensen die ‘onterecht ontslagen’ zijn, zoals hij ook de website doopt die hij speciaal daarvoor opricht. Zaken waarmee hij niets verdient, maar die hij kán doen vanwege zijn succesvolle praktijk bedrijfsrecht. ,,Als je het doet, moet je het goed doen”, herhaalt hij drie maal tijdens het gesprek.

,,Deze zaken zijn niet te winnen als je onder toevoeging (op kosten van de overheid, red.) werkt. In de sociale advocatuur werk je voor 100 euro per uur, maximaal 10 uur. Maar aan die zaak heb ik wel 400 à 500 uur besteed. Dus je moet er wel een money-maker naast hebben wil je dit goed doen. Ik heb er serieus minder door verdiend dat jaar. Als je puur commercieel opereert, niks mis mee, dan kan je gaan voor winstmaximalisatie. Maar als je nadenkt over wat je met je leven wilt, kan je ook denken: ik heb genoeg. Ook voor mijn vrouw was dat geen issue. Zij weet dat ik altijd bezig ben met goed en slecht, net zoals ik bij defensie piekerde of zaken wel klopten. Dit is constructief. Daarom voel ik ook nooit een tegenslag in een dossier, dat maakt alleen maar strijdvaardiger.”

Sinds zijn allereerste tv-optreden, bij Brandpunt in 2014, over de ‘fietspadencontroleur’ krijgt hij dagelijks telefoontjes van mensen die radeloos zijn, en zijn hulp zoeken, maar hem eigenlijk niet kunnen betalen. ,,Op dit moment lopen er veel PTSS- en klokkenluiderszaken. Hoe ik kies? Hoofdregel is ‘als je iets doet, moet je het goed doen’. En no man left behind, niemand mag aan zijn lot worden overgelaten in onze maatschappij. Maar ik heb beperkingen in mijn eigen tijd. In beginsel moet ik altijd een boterham blijven verdienen. De bedrijfsrechtpraktijk is het belangrijkst.”

En hij zegt ook nee. ,,Ik krijg genoeg mensen met fantastische verhalen die niet te onderbouwen zijn. Zelfs als ik ze geloof, maar de onderbouwing ontbreekt, begin ik er niet aan. Je geeft anders mensen ook hoop, hè?! Ik wil mijn tijd nuttig besteden, en wil het leuk vinden. Soms moeten mensen hun verlies nemen. Ik had eens een man, van wie ik dacht: ga in vredesnaam psychologische hulp zoeken. Ik zei hem: ‘U heeft geen zaak, meneer, geef het een plek.’ Best hard, maar later belde zijn echtgenote en bedankte mij: ‘Fantastisch advies, nu kan hij eindelijk stoppen met die zaak’.”

,,Ik denk wel vaker dat iemand helemaal niet is gediend bij rechtshulp. Omdat ze dan 5, 6 jaar bezig zijn om hun gelijk te halen. Maar het pure gelijk is voor mij niet genoeg. Ik help als je financieel helemaal de vernieling in dreigt te draaien, als je leven op de kop staat, en je een reële zaak hebt. Het gebeurt vaak dat mensen vast zitten in een fixatie, een oneerlijkheid op de werkvloer, maar dat is niet mijn taak.”

,,Klokkenluider zijn alleen is niet genoeg voor gratis hulp. Ik heb mensen die finaal aan de grond zitten, een zwervend bestaan leiden. Met hen spreek ik nooit over geld. Er zijn er voor wie ik de proces-kosten zelfs heb betaald, omdat de zaak, de méns het waard was.”

Ook bij PTSS-dossiers bewaakt hij zijn grenzen. ,,We spreken altijd af dat we niet praten over wat er is gebeurd. Daar zijn zorgverleningstrajecten voor, en hulpverleners. Ik zou schade kunnen veroorzaken als ik mijn hulp niet beperk tot het juridische. O ja, je vroeg hoe ik kies…het moet ook een zaak zijn die ernstig genoeg is, en het moet een strijd zijn voor een goede zaak.” Hij tikt nog weer eens op de cover van het boek Just & Unjust Wars: ,,Het meest gemotiveerd zijn mensen als ze op de juiste manier vechten, met eerlijke middelen, waar ze moreel volledig vrede mee hebben, voor een juist doel. Dan kun je het lang volhouden.”

 

WANNABEES

Zijn nieuwste dossier kwam vorige week groot in NRC, over drie leden van de Groep Luchtmacht Reserve, getraumatiseerd door hun uitzending naar de internationale legerbasis in Kandahar. Gewone jongens – werkplanner, monteur, activiteitenbegeleider – die als vrijwilligers ineens belandden in Afghanistan. Waar de raketten hen letterlijk om de oren vlogen, en ze ook nog eens met de nek werden aangekeken door hun beroepscollega’s, die hen uitscholden voor ‘kutreservisten’ en ‘wannabees’. ,,In Nederland beseft men niet dat legerbasis Kandahar een stadje is met 26.000 militairen, waar op betonblokken de ‘tags’ staan van beruchte bendeleden uit New York. Niemand weet dat je daar ‘s nachts niet veilig bent als je in ‘verkeerde’ delen van de basis belandt.”

Zijn gratis werk gaat nu mee in de planning, soms wel 20, 30 uur per week. ,,Maar ja, ik heb ook op kosten van de samenleving mijn bul gehaald. Ik vind dat je een plicht hebt te doen waar de maatschappij het het meeste aan heeft.”

Hij had ook fabelachtig veel geld kunnen verdienen in het Amsterdamse zakendistrict De Zuidas. ,,Ja, had gekund, wil ik niet, geen leuke mensen, hè. Die sfeer staat mij niet aan.”

,,Ons werk is normaal gesproken erg money-driven: als je de hele week werkt moet je 60 uur declareren. De minimale declaratie-eenheid is eentiende uur. Dus wat zeggen ze tegen hun secretaresse? Alle telefoontjes opsparen, die bel ik wel terug tussen half vijf en vijf uur. Die gesprekken hou je dan ultra kort; twee minuten maximaal, en dan vijftien klanten achter elkaar bellen. Dan kan je in een half uurtje anderhalf uur declarabel draaien. Dat zijn de trucs. Als je in de auto naar een klant rijdt, bel je een andere klant. De ene bereken je reistijd, de andere beltijd. Ik zeg niet dat iedereen……”, hij schiet in de lach…., ,,nou…eigenlijk denk ik dat wél.”

,,Voor mij hoeft dat geld niet zo. Carrière hoef ik ook niet. Status is niet belangrijk, maakt me echt allemaal niets uit. Je moet alleen voldoende verdienen om een zinvolle rol te hebben. Er komt doorgaans een bult ellende op mijn cliënten af, het laatste dat ik wil is dat iemand met psychische klachten ook nog moet vrezen dat als hij de zaak wint al het geld naar Van de Nadort gaat. Never, nooit, gaat niet gebeuren! Ik vind wel dat mijn opponent uiteindelijk de factuur moet gaan betalen, want we zijn soms jaren verder. Maar je stopt er altijd veel, veel meer tijd in dan dat je vergoed krijgt.”

‘Gratis’ kent nuances. ,,Mensen die een goed inkomen hebben, kunnen ook wat betalen. Niet alles is voor niets. Wat écht gratis is, daar zit een strenge selectie op. Dan moet iemand misschien een paar maanden wachten voordat ik eraan begin. Er is een planning voor zaken die ik 100 procent voor nop doe. Daar zit op een gegeven moment een stop op. Het ene vat moet wel gevuld blijven.” Daarom zal hij de kosten immer proberen te verhalen op de tegenpartij, onder het mom ‘de vervuiler betaalt’.

Zijn gratis hulp zal nimmer ten koste gaan van zijn bedrijf. ,,Ik denk dat ik goed ben in het maken en onderhandelen van contracten. Als ik genoeg verdien, kan ik andere mensen helpen. Dat zijn communicerende vaten. Je kunt alleen een reddingsboei zijn als je zelf ook kunt drijven. Bedrijfsrecht vind ik superleuk, en die andere zaken vind ik belangrijk.”

Over twee cliënten morgen in NRC:

„Kutreservist. Wannabe. Eng mannetje. Mafkees.”

Zomaar een selectie uit de verwensingen die Jeroen, Sietse en Noud in 2011 in Afghanistan naar hun hoofd geslingerd kregen. Niet van vijandige Afghanen, maar van directe collega’s – Nederlandse beroepsmilitairen.

Ze vertrokken als trotse leden van de Groep Luchtmacht Reserve naar de internationale legerbasis in Kandahar. Gewone jongens waren ze, die hun reguliere baan combineerden met tijdelijk werk voor Defensie. De een was werkplanner, de ander monteur, de derde activiteitenbegeleider. Ze wisten dat ze er vooral waren om bij te springen. En daar zouden ze hun ziel en zaligheid in leggen. Minstens zo goed als de beroepsmilitairen wilden ze zijn. Want hoe vaak kregen ze nou zo’n kans?

Zeven jaar later zitten drie tot op het bot teleurgestelde mannen in de voormalige bestuurskamer van de ter ziele gegane voetbalvereniging RKJVV in Den Bosch. Na het faillissement is het sportcomplex omgedoopt in Veteranenontmoetingscentrum Ouwestomp, een thuis voor „geüniformeerden in de breedste zin van het woord”.

‘Rijksschietterrein. Het achtergelegen terrein is levensgevaarlijk’, staat op een bord bij de entree naar de afgedankte voetbalvelden. Her en der staan oude legervoertuigen, militaire parafernalia en paspoppen met uniformen. Aan de muren in de opgelapte kantine hangen schildjes met emblemen. Veteranen leggen een biljartje of kijken televisie.

„Er was in onze eenheid geen enkele kameraadschap tussen reservisten en beroeps. Er werd op ons neergekeken. En dat gebeurt nog steeds”, zegt Jeroen Stam. „Ik was bij terugkomst de eerste reservist die openlijk uitkwam voor zijn psychische problemen”, vult Noud aan. „Ik was dus ook de eerste die grote problemen ondervond met het zoeken van hulp.”

Zijn achternaam (bij de redactie bekend) noemt hij niet. „Ik moet nog zaken met Defensie afwikkelen,” zegt hij daarover. Hij is net aan komen rijden met de motor, vanuit België waar hij woont. Don’t Mess with Old Veterans, They Don’t just look Crazy, staat er op een sticker op zijn motorhelm, vanzelfsprekend een in camouflagekleuren.

Wachtlopers

De flexibele schil van de luchtmacht worden ze genoemd, de ruim vijfhonderd reservisten die als tijdelijke krachten bijspringen als de luchtmacht op oefening gaat, of als er te weinig bewakers zijn. Ze zijn het kleine broertje van de Nationale Reserve. Dat korps heeft een vergelijkbare taak bij de landmacht en telt zo’n drieduizend man.

De bijbaan is ‘vrijwillig, maar niet vrijblijvend’. Reservist ben je voor de eer, voor Nederland, voor het gevoel onderdeel te zijn van Defensie. En voor de dagvergoeding, die – mocht het tot een uitzending komen – wordt omgezet in een tijdelijk dienstverband. Daarna stromen de reservisten terug naar wat militairen ‘de burgermaatschappij’ noemen.

„We gaan snel trouwen en daarna moet je gaan”, zei de vriendin van Noud, toen duidelijk werd dat Defensie een beroep zou doen op reservisten voor de missie in Afghanistan. „Het is je lust en je leven, dat leger. Je loopt altijd de oefeningen af. Maar dit is het echte werk.” Ook de partner van Jeroen, die jaren beroepsmilitair was geweest, en die van Sietse Quarree stonden achter hun beslissing om naar de oorlog te vertrekken.

Na een week voorbereiding in Nederland reisden Jeroen en Noud in het najaar van 2011 naar Kandahar. Zij werden toegevoegd aan het verhuisteam, dat de verplaatsing van de Nederlandse missie naar Mazar-e-Sharif (achthonderd kilometer verderop) begeleidde. In dezelfde periode vloog ook Sietse naar ‘de zandbak’ – hij zou er drie maanden lang een buitenpost van Kandahar Airport bewaken.

Luchtalarm

De oorlog viel hun rauw op het dak, veel rauwer dan ze hadden verwacht. Het begon ermee dat het raketten regende in Kandahar. Jeroen: „We waren totaal niet voorbereid op die voortdurende beschietingen. Toen we aankwamen kregen we een briefing over de veiligheid. Het is ramadan, dus het zal de komende weken wel rustig zijn, kregen we te horen. En toen ging het luchtalarm af, net als alle dagen daarna.”

Het leek alsof hun collega-militairen de raketinslagen niet eens opmerkten. Noud, Sietse en Jeroen hadden alle handleidingen gelezen. Ze kenden de protocollen en hielden zich daar ook aan. Als het moest trokken ze hun scherfvest aan, iets wat de beroeps soms vergaten. En ze waren nieuwsgierig. Ze wilden de uitzending, het kamp en de omgeving in zich opzuigen en geen detail missen.

De beroepsmilitairen werkten anders. Noud: „Die jongens stonden op, draaiden hun dienstje en gingen zo snel mogelijk naar het sportcentrum of terug naar hun spelcomputer. Wij waren van meet af aan buitenbeentjes. Er was op de gigantische basis van Kandahar een levendige handel. Ik had van huis wat dollars meegenomen en kocht bijna dagelijks een souvenir. Daar begrepen ze niets van.”

Wij waren van meet af aan buitenbeentjes

Sietse had op de buitenpost van het vliegveld drie maanden lang gezelschap van twee andere reservisten. „Na elke raketinslag moesten wij uitvinden waar die was ingeslagen. Ook het wachtlopen was slopend. De omheining was her en der opengeknipt en hartstikke lek. Er liepen groepen zwerfhonden rond. Die kwamen tot je middel en hadden permanent honger. Ik heb een laptop met zevenduizend foto’s uit die tijd. Ik bekijk ze niet, veel te confronterend.”

Noud kreeg het aan de stok met een lid van zijn eenheid, een beroeps. „Op weg naar de doucheruimte voelde ik een waszak hard langs mijn gezicht strijken. Die was van een collega die mij moest hebben. Ik liep een grote, bloedende snee op. Geintje, zeiden ze. Toen mijn commandant het hoorde, heb ik hem alles eerlijk verteld. Later heb ik ook aangifte gedaan. Die is uiteindelijk geseponeerd, maar het was in de groep meteen mis. Ik was die rare verrader geworden.”

Het telde op, zegt Noud. „De pesterijen, mijn mishandeling, elke dag raketten, collega’s die zich niet aan de veiligheidsvoorschriften hielden, de chaos op het kamp. Twee weken voordat mijn uitzending erop zat ben ik gecrasht. Ik kon niet in Kandahar blijven en werd overgeplaatst.”

Begrafenis

Halverwege zijn uitzending overleed de vader van Jeroen. Defensie zou hem – volgens protocol – zo snel mogelijk naar huis vliegen, voor de begrafenis. Maar het begon ermee dat hij niet mee terug mocht vliegen met het toestel van de Commandant der Luchtstrijdkrachten, die op dat moment toevallig in Kandahar was. „Geen plek”, kreeg hij te horen.

In plaats daarvan was er een ticket geregeld voor een civiele vlucht van Turkish Airlines, vanaf Kabul International Airport. Daar begonnen de problemen. „Bij de bagagecontrole werden mijn schoenen uit mijn tas gejat”, zegt Jeroen. „Vervolgens kwam ik niet door de paspoortcontrole. Ik was als militair Afghanistan binnengekomen en mocht er niet als gewone reiziger weer uit.”

Buiten het vliegveld sloeg de paniek toe. „Daar stond ik – midden in Kabul – zonder wapen, met een kort geknipte kop en een Nederlandse camouflagetas. Alle gruwelijke filmpjes van ontvoeringen die ik op internet had gezien, schoten door mijn hoofd.”

Daar stond ik – midden in Kabul – zonder wapen, met een kort geknipte kop en een Nederlandse camouflagetas

„Ik heb uiteindelijk Moniek in Nederland gebeld, mijn vrouw. Het voelde kloten om haar met mijn problemen in Kabul te confronteren, maar het kon niet anders. Zij heeft midden in de nacht kunnen regelen dat ik met een speciaal escorte werd opgehaald.”

Ondanks pogingen van Nederlandse zijde de papieren in orde te maken, strandde Jeroen ook de twee dagen daarna bij de paspoortcontrole. „Toen ik uiteindelijk met een militaire kist naar Nederland kon vliegen, was de uitvaart al aan de gang. Breng me dan maar terug naar Kandahar, zei ik.”

Terug op de basis bleek dat het verhaal over de mislukte terugvlucht als een lopend vuurtje rond was gegaan. „De kapitein riep me bij zich. Niet om me te condoleren, maar om me op het hart te binden dat ik mijn mond moest houden. Zeg maar dat het de schuld was van de Afghanen, zei hij. En niet van Defensie. Ik kreeg wel een halve dag vrij om samen met Noud de boel op een rijtje te zetten en heb daarna de uitzending afgemaakt.”

Zoiets gaat mij niet overkomen, dacht Sietse toen vijf jaar later – hij was op uitzending in Mali – zijn vader plotseling overleed. Hij passeerde zijn leidinggevenden en stapte af op een luchtmachtgeneraal die op dat moment de troepen bezocht. Natuurlijk mag je mee, zei die.

Maar na de begrafenis kon Sietse in Mali niet meer zijn draai vinden. „Het was er een zooitje”, zegt hij. „Heel anders dan Afghanistan. Ik zag de Afrikaanse militairen die de vliegtuigen moesten bewaken liggen slapen, hun kalasjnikovs in het zand geprikt. Ik was de enige reservist tussen de beroeps en werd gek van de kutgeintjes van mijn collega’s. En van hun onverschilligheid. Als we op patrouille waren, vonden ze het belangrijker om lekker te crossen, dan om onze mannen te bewaken.”

Vijf tientjes afkoop

Terug in Nederland knakten Jeroen, Noud en Sietse. Ze kregen herbelevingen, sliepen slecht en hadden steeds grotere problemen om normaal te functioneren – allemaal symptomen van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), die vaker voorkomt bij teruggekeerde militairen. Terug naar hun oude baan konden ze niet. Ze zijn arbeidsongeschikt verklaard.

Maar hun positie als reservist maakte het lastig om bij Defensie gehoor te vinden. Noud: „Terug in Nederland ging ik de burgermaatschappij weer in. Ik was militair af en het leek alsof Defensie me niet meer kon of wilde helpen. Bij het UWV en in de reguliere gezondheidszorg begrepen ze mijn specifieke klachten slecht. Ik ben nu zes jaar aan het ploeteren en mijn leven is nog steeds een puinhoop.”

Ik ben nu zes jaar aan het ploeteren en mijn leven is nog steeds een puinhoop

Sietse stapte naar raadsman Ferre van de Nadort. Zijn dossier telt inmiddels vier ordners, waarbij opvalt dat de verschillende organisaties die zich met hem bezighouden – Defensie, UWV, medisch specialisten – langs elkaar heen werken en vooral bezig lijken met het afschuiven van de verantwoordelijkheid (en de kosten) van zijn PTSS. Daardoor heeft de behandeling te lang op zich laten wachten.

„Ik krijg maandelijks vijf tientjes Buitengewone Invaliditeitsverhoging van Defensie”, zegt Jeroen. „Dat is dan de afkoop van de schadevergoeding waar ik recht op heb. Het klopt niet, maar ik heb niet de rust om mij door de papierbrij en procedures te worstelen. Het voelt als onrecht. Alsof ik nog steeds die kutreservist ben, die je in de steek kunt laten.”

Wie met Jeroen, Sietse en Noud bij het Veteranenontmoetingscentrum aan de sterke filterkoffie zit, merkt hoe het steekt dat er niet naar ze is omgekekenen, dat ze keer op keer aan keuringsartsen, uitkeringsinstanties en Defensie hun positie als reservist moeten uitleggen.

En dus zeulen ze een dik dossier met zich mee, met bureaucratisch onbegrip als rode draad. „Mijn gevecht met de instituties is in feite net zo erg als wat mij in Afhanistan is overkomen”, zegt Jeroen. „We vallen overal tussenin en het lijkt niemand te interesseren.”

Klopt, zegt Noud. „Maar het allerliefst zou ik terug gaan op uitzending. Defensie heeft me voor mijn gevoel keihard laten vallen, maar als ze me morgen bellen pak ik mijn uitrusting en sta ik er. Zo dubbel is de loyaliteit van de reservist.”


REACTIE VAN DEFENSIE

Over de verhalen van de drie reservisten in dit artikel zegt een woordvoerder van Defensie: „Defensie maakt geen onderscheid tussen militairen in actieve dienst en reservisten. Zij zijn van grote waarde voor de Krijgsmacht, ook bij uitzendingen. Doorgaans ervaren reservisten een uitzending als een verrijking. Er zijn geen problemen bekend rond hun acceptatie.”

Defensie betreurt dat het voor dit drietal anders ligt. „Hun problemen zijn bij ons bekend. Als veteraan hebben zij dezelfde aanspraak op nazorg als andere militairen. Ze kunnen nog steeds bij ons terecht voor verdere hulp en begeleiding en Defensie raadt hen aan daar gebruik van te maken.”


 

Lees het hele artikel in NRC.

Bij Defensie werken professionals die dagelijks bereid lijken om hun leven in de waagschaal te leggen voor onze veiligheid. Stuk voor stuk hebben zij een groot incasseringsvermogen en weten zij elke tegenslag het hoofd te bieden. Een beeld dat volledig onderschreven kan worden. Maar professionaliteit van onze militairen staat in schril contrast tot het beeld waarmee Defensie de laatste tijd in de media verschijnt. In dat beeld staat de (sociale) onveiligheid, bureaucratie en toedekken voorop. De bewindspersonen lijken zich de kritiek aan te trekken en beloven beterschap. Toegegeven: het verleden kunnen zij niet meer veranderen, maar hoe gaat Defensie dan op dit moment met dat verleden om?

Exemplarisch is de zaak van de Cougar helikopter (Dodo 44) die in 2009 een noodlanding moest maken na een beschieting in Afghanistan. In de helikopter zaten vier crewleden en tien militairen. De laatsten vervolgden hun reis na de 12 minuten durende hellevlucht met een andere Cougar naar hun eindbestemming, Kandahar. Daar aangekomen taxiede de helikopter naar een verlaten plek op het vliegveld, waar de deuren nog een uur gesloten bleven. Toen de deuren open gingen, werden de militairen naar een verlaten ruimte geleid. Terwijl de crewleden nazorg kregen en werden gelauwerd, werd de passagiers daar verteld dat zij niet mochten spreken over het voorval. Ook in de media werd hun aanwezigheid in de helikopter verzwegen. Van hun aanwezigheid werd geen dossier bewaard en zij kregen van Defensie geen erkenning en medewerking bij hun nazorg. Een aantal van de passagiers kampt tot op de dag van vandaag met zeer ernstige psychische problemen. Van één van hen werden zelfs de zorgkosten door Defensie niet betaald.

 

Mea culpa naar de passagiers

Het was ook niet voor niets dat de staatssecretaris diep in het stof moest bijten toen de media lucht kreeg van het incident. In een brief aan de passagiers schrijft Defensie:

Dit incident is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis geweest, zowel voor de passagiers als voor de leden van de crew. Terugkijkend moet worden erkend dat er onder de omstandigheden van toen onvoldoende oog is geweest voor de passagiers en de gevoelens die het incident bij hen heeft losgemaakt.

In de tendens waarbij het ene na het andere schandaal over de wijze waarop Defensie met haar personeel omgaat naar buiten komt, lijkt de reactie hoopvol. De brief ademt een beeld dat personeelszorg (in de toekomst) de hoogst mogelijke prioriteit heeft. Wel moeten de geldelijke vergoedingen nog enige tijd op zich laten wachten.

 

Intern herkent Defensie zich niet in het geschetste beeld

Maar in de reactie naar haar eigen medewerkers reageert Defensie dat zij zich in het geschetste beeld niet herkent. Op intranet valt te lezen:

“Vanuit DHC [red. Defensie Helikopter Commando] herkennen wij ons niet in het geschetste beeld en de gang van zaken. Mochten passagiers zich destijds, maar ook nu, niet erkent voelen en niet de juiste zorg hebben ontvangen, dan betreurt ons dit zeer. In een complexe situatie is door onze crew adequaat en professioneel gehandeld om tot een goede afloop te komen. De passagiers zijn gered, de crew is gered en de Cougar is gered. En daar zijn wij trots op!”

 

Juist ja. Waar Defensie naar de passagiers en de media schoorvoetend werkt aan een herstel van het vertrouwen en een beeld probeert uit te stralen dat zorg voor haar eigen personeel topprioriteit heeft, wordt ondertussen achter de schermen een beeld gecreëerd dat zij vrolijk op de oude voet verder gaat. Change perdue!

 

 


De rest van het artikel:

Op 18 april 2018 heeft kamerlid Sadet Karabulut (SP) vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Defensie, Barbara Visser. Aanleiding voor die vragen was een artikel in NRC over een helikopterongeval met een Cougar (Dodo 44) in Afghanistan, afgelopen zaterdag.

In dat artikel beschrijft NRC hoe met mijn cliënten, die als militair passagier in de helikopter zaten, na het ongeval is omgegaan. Hoewel de bemanning nazorg kreeg en in de media werd gelauwerd, moesten zij zwijgen, werd hun aanwezigheid in de helikopter verzwegen en kregen zij geen nazorg. Hen werd verteld dat er sprake was van een landing uit voorzorg door een hydraulisch lek, maar later (2015) vertelt de pilote in Pauw dat de helikopter beschoten is. Een jarenlange zoektocht naar de werkelijke toedracht van het ongeval begint voor cliënten. Defensie weigert daar tot op heden openheid van zaken te over geven.

NRC Handelsblad, zaterdag 14 en zondag 15 april 2018: Opeens hing de helikopter scheef.

Kamerlid Karabulut wil onder andere van de staatssecretaris opheldering over het spreekverbod, het zoekraken van documentatie en over het optreden van de pilote in de uitzending van Pauw in 2015. Ook stelt zij vragen over het verschil in de bejegening van de bemanning en de passagiers.

De kamervragen vindt u hier.

Aanstaande woensdag zal de zaak (ook) aan de orde komen in een debat met de Staatssecretaris van Defensie.

NRC: Bijna-helikoptercrash Een helikopter met tien militaire passagiers kwam in 2009 in Afghanistan in de problemen. Vijf van hen kampen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Zij verwijten Defensie het incident te hebben weggewuifd.

 Door: Merijn Rengers en Kasper van Laarhoven

 13 april 2018 om 23:06

10 december 2009, 15.06 uur Kamp Holland

Het is tjokvol en warm in de DODO-44 die opstijgt vanaf de Nederlandse compound nabij Tarin Kowt – de hoofdstad van de Afghaanse provincie Uruzgan. Het deert de tien militaire passagiers in de Cougar transporthelikopter niet. Ze hebben allemaal iets om naar uit te kijken.

Zes van hen komen van de Luchtmobiele Brigade en zijn onderweg naar de stranden van Kreta. Daar sluiten uitgezonden militairen hun periode in Afghanistan traditiegetrouw af met een combinatie van bier, zwembad en een debriefing. De vier overige passagiers komen van andere eenheden en gaan twee weken met verlof.

Alle passagiers dragen zware scherfvesten. Hun volgepakte woodlands, oversized sporttassen in camouflagekleuren, staan opgestapeld in de toch al overvolle helikopter. Eerste bestemming is Kandahar Airport, waar ze zullen overstappen op een nachtvlucht richting Europa. Naast hen vliegt de DODO-45, eenzelfde Cougar, die met nog eens tien passagiers dezelfde route aflegt.

De vlucht van veertig minuten is het gevaarlijkste deel van hun terugreis, dwars door Talibangebied en langs een aantal hoge bergkammen. Voor Defensie is het „een routinevlucht”. Het voorbereiden van een „juiste en gedegen briefing” aan de crewleden (een piloot, gezagvoerder, boordschutter en loadmaster) kostte de inlichtingenman ter plaatse een uurtje. Voldoende om de „vergrote kans op vijandelijk vuur, met name van klein kaliber wapens” het hoofd te bieden, zo staat in een ongevallenrapport van de Luchtmacht.

Later zal de crew gelauwerd worden voor hun koelbloedigheid tijdens deze vlucht, die hen bijna fataal werd. Voor de passagiers is dat anders. Zij zullen te horen krijgen dat er niets aan de hand was. Maar ook dat ze hun mond moeten houden. Vijf van hen behoren inmiddels tot het uitdijende legioen PTSS’ers, (oud)-militairen met oorlogsgerelateerde psychische klachten.

Na twintig minuten in de lucht verandert de helikoptertocht in een hellevlucht. De passagiers horen door de rotorherrie heen ‘tak tak tak’, waarna de heli plotseling scheef hangt. „Kogels”, denken ze gelijk. Dan zien ze in de cockpit waarschuwingslampen oplichten en lekt er hete olie de passagierscabine in, die rookpluimen achterlaat. De heli draait naar links en weer naar rechts en gaat steeds langzamer vliegen.

VIJF VAN DE TIEN HEBBEN PTSS

Vijf van de tien passagiers kampen met symptomen van PTSS. Drie zijn om die reden geen militair meer. Eén inzittende, zonder trauma, is het niet eens met de openbaarheid. Hij vindt het onprofessioneel om het ongenoegen uit te vechten in de media. „Sommige van ons zien dit als het middelpunt van wat er tijdens uitzending is gebeurd, maar het is uiteindelijk maar één van de vele incidenten.”

Ze zien de piloten voorin steeds drukker gebaren. Met een kaartenboek op schoot gaat de gezagvoerder op zoek naar een geschikte plek voor een noodlanding. Minuten later schrijft de boordschutter één woord op een plastic bordje: Frontenac. De passagiers hebben geen idee wie of wat dat is. Dan krabbelt de man „FOB” ernaast, Forward Operating Base. Blijkbaar koersen ze af op een verkenningspost.

Er lekt steeds meer olie de cabine in en de passagiers weten dat het mis is. Sommigen nemen foto’s. „Voor de nabestaanden”, zegt een van hen. Een ander probeert een afscheidsboodschap voor haar man op haar hand te schrijven, maar de balpen hapert. We gaan eraan, gebaart een passagier. Door een crash, of omdat we nauwelijks bewapend neerkomen in vijandelijk gebied. Als de Taliban mij krijgsgevangene maken, schiet ik mezelf dood – bedenkt een ander.

Na de beschieting schokt de DODO-44 nog twaalf minuten scheefhangend door de lucht. Dan dalen ze plotseling. De passagiers grijpen zich vast aan alles wat los en vastzit. Net boven de grond in Frontenac begint de Cougar te draaien en valt de laatste paar meter uit de lucht. „De helikopter is linksomdraaiend op het grind geland en enkele meters doorgerold”, aldus het luchtmachtrapport over de crash.

De passagiers moeten stapels tassen en materieel wegduwen om uit het toestel te komen. Een vrouw raakt verstijfd en in shock. Ze komt pas bij zinnen als een andere passagier haar een harde klap in het gezicht geeft.

Als iedereen op veilige afstand van de DODO-44 staat, blijkt de schade mee te vallen. Er is geen explosiegevaar en de passagiers kunnen zelf de bagage uit de heli halen. De staart van de heli is goed kapot, zwemt in de olie. Er zitten gaten in, kleine en grote. Ze blijven foto’s maken en wisselen de bestanden onderling uit.

Later zal een enorme Russische MI-26 helikopter de Nederlandse Cougar optakelen en terugvliegen naar Kandahar. Beelden daarvan halen het Russische nieuws.

10 december 2009, 18.00 uur Kandahar Airport

Enkele uren na de noodlanding worden de inzittenden in Frontenac opgehaald door een andere Cougar en naar Kandahar Airport gebracht. De ontvangst voelt als „een koude douche”, zegt één van hen. „We werden direct naar een werkcontainer ergens achteraf vervoerd”, vertelt een ander. „Daar waren twee Intell-mannen en de sfeer was onvriendelijk. ‘We weten dat jullie foto’s hebben gemaakt en die met elkaar hebben gedeeld’, zeiden de mannen. ‘We willen kopieën. Jullie mogen de foto’s houden, maar weet dat als er ook maar één naar buiten komt, jullie allemaal hangen.’”

Het tiental krijgt te horen dat er geen sprake was geweest van een beschieting maar van een „hydraulisch probleem” en een „landing uit voorzorg”. „Haal je niets in je hoofd, er is niets gebeurd”, wordt hun gezegd. En dat is het. Zij worden doorgestuurd naar de transitietent om te wachten op hun vlucht richting Europa. Daar staan groepen andere terugkeerders te wachten. Het tiental valt uit elkaar, en iedereen doet zijn verhaal bij naaste collega’s.

Op ongeveer hetzelfde moment doet Defensie een kort persbericht de deur uit. Over passagiers rept het niet, wel over een beschieting. Het bericht insinueert een routine-incident en wordt niet opgepikt door de media. De passagiers, van wie er inmiddels zes onderweg zijn naar Kreta, krijgen er niets van te horen.

Op Kreta volgen de militairen een zogeheten „adaptatieprogramma” om de overgang naar Nederland soepel te laten verlopen. In de bijbehorende groepsgesprekken vertellen de militairen wat ze hebben meegemaakt. Sommige passagiers van de DODO-44 vertellen over het incident. De gespreksleider maakt notities en gaat dan verder met zijn checklist. Niemand hoort er via Defensie iets van terug.

Een jaar later wordt de eerste passagier met stressstoornis PTSS gediagnosticeerd. „Op dat moment hadden de alarmbellen moeten gaan rinkelen bij Defensie”, zegt een andere passagier. „Toen hadden ze moeten beseffen: ‘Oh, mensen hebben hier last van, hier moeten we iets mee.’”

In 2014 blijkt dat ook hij PTSS heeft. Er zijn incidenten tijdens het stappen, agressie. Collega’s herkennen hem niet meer. „Als je je realiseert dat je problemen hebt, ben je al te laat”, zegt hij. „Je denkt dat je normaal reageert op mensen om je heen, totdat je je vrouw er ineens uitzet omdat het in de hersenpan niet meer klopt. Je leeft op het randje, bent continu alert, reageert onwijs snel op alles.”

29 april 2015, 23.00 uur Pauw

Na ruim vijf jaar individuele sores zien de passagiers op 29 april 2015 plots een reclamespotje van Pauw. Die avond blijkt de piloot van hun vlucht te gast bij het tv-programma. Ter ere van 70 jaar bevrijding vertelt zij in geuren en kleuren over de bijna-crash en haar heldhaftige optreden. Om de spanning van de vlucht te illustreren, worden archiefbeelden en audio-opnames uit de heli getoond.

Een van de passagiers zit die avond trillend naast zijn vrouw op de bank. Binnen een milliseconde bevindt hij zich weer in de Cougar. Hij ruikt de lekkende olie en voelt de schokken van de heli. Zijn hartslag versnelt en de angst is terug. Negentig kilometer verderop heeft een andere passagier exact dezelfde ervaring.

Daarna komen de vragen. Waarom wisten zij niet van de uitzending? En waarom praat de piloot op televisie openlijk over het incident, terwijl zij al die tijd hun mond moesten houden? Naast de piloot in uniform zit haar zus, fotograaf en model, die vertelt hoe goed ze is geïnformeerd over het helikopterincident.

Na de uitzending zoeken de twee passagiers contact met elkaar. Samen besluiten ze hun vragen bij de eenheidscommandant en vervolgens de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht neer te leggen. Als ook het contact met deze Defensiebemiddelaar tot niets leidt gaan ze op zoek naar de geluidsband, in de hoop dat het afluisteren helpt bij de verwerking. Ze maken een afspraak op de vliegbasis met de piloot, die de audio-opname op een usb-stick in haar broekzak heeft. Maar de eenheidscommandant intervenieert: ze mogen het niet horen. Privacyredenen, zegt hij. De piloot bemiddelt en ze krijgen tóch toestemming.

Vanwege de angst voor herbelevingen vragen de passagiers of ze de tape thuis kunnen beluisteren, samen met hun therapeut. Maar het mag alleen op de vliegbasis, in de aanwezigheid van de crew. De twee partijen komen er niet uit.

Op zoek naar antwoorden vinden de twee passagiers het ongevallenrapport van de Luchtmacht. Hierin staat dat de helikopter is beschoten, maar ook dat die vrijwel de gehele vlucht op een veilige hoogte heeft gevlogen. Die beweringen zijn moeilijk verenigbaar, aangezien de Taliban in Afghanistan met handvuurwapens geen hoog vliegende helikopters konden raken.

De passagiers vragen zich af of het officiële relaas over de vlieghoogte, de staat van onderhoud van de helikopter en het vervoerde gewicht klopt. Hun scepsis wordt gevoed door de foto’s die zij tijdens de vlucht hebben gemaakt. De bijna-crash zou veroorzaakt zijn doordat één kogel de twee hydraulische leidingen perforeerde en de daarboven gelegen staartrotor-aandrijfas openbrak. Het rapport noemt de metaalmoeheid van de as, maar een onderhoudslogboek van de heli ontbreekt. Defensie zegt desgevraagd dat er geen enkele documentatie meer is: ook de vluchtroute, evaluatie van de crew en passagierslijst ontbreken. Maar een van de passagiers werkt niet meer bij Defensie en krijgt zonder die lijst haar therapie niet vergoed. Zo stapelen het onbegrip en de boosheid zich op.

13 april 2018, 9.00 uur Defensie maakt een ommezwaai

De afgelopen maanden kwam de zaak in een stroomversnelling, dankzij de raadsman van het duo, Ferre van de Nadort. Hij kaartte de zaak bij Defensie aan. Van de Nadort heeft inmiddels contact met negen van de tien inzittenden. Ze delen hun ervaringen en foto’s, waardoor allerlei puzzelstukjes op hun plek vallen.

De samenwerking sorteert effect. Defensie is er inmiddels van doordrongen dat er in het verleden niet altijd zorgvuldig met de problemen van de passagiers is omgegaan. „Wat er is gebeurd, is gebeurd. Nu telt wat we op dit moment kunnen doen. We zijn inmiddels op stoom om het goed met deze mensen te regelen”, zegt een woordvoerder. „En uiteraard erkennen we de impact die het incident heeft gehad op de passagiers. Wij willen op allerlei manieren bijdragen aan hun verwerkingsproces, als daar behoefte aan is.”

Hoe de erkenning er precies uit gaat zien, is nog niet bekend – daarvoor zijn de gesprekken nog te pril. Een van de militairen hoopt dat na de draai van Defensie hij eindelijk kan beginnen met de verwerking van zijn trauma. „Er zijn een hoop dingen die ik nog steeds laat”, zegt hij. „Je ziet mij bijvoorbeeld echt niet in een drukke winkel. Dan heb ik geen overzicht en dan wordt het link, zowel voor mij als de mensen om mij heen.” Eerdaags wordt hij weer uitgezonden. Met zijn collega’s kan hij praten over zijn ervaringen. „Iedereen heeft wel íets meegemaakt”, zegt hij. „Dat maak het makkelijker.”

En of hij nu uitgezonden wordt of niet, hij wordt toch dagelijks met zijn trauma geconfronteerd. „Ik woon tegenover een vliegbasis en als ik daar of op werk een Cougar hoor, dan zit er weer middenin.”

OVER DIT ARTIKEL

Voor dit artikel sprak NRC met twee inzittenden en met Ferre van de Nadort, raadsman van de passagiers van helikopter DODO-44, die in 2009 in Afghanistan in de problemen kwam. NRC zag mails, brieven, foto’s en rapportages over de bijna-crash. De passagiers zijn nog steeds in dienst of anderszins bij Defensie betrokken en verschijnen daarom zonder naam in dit stuk.

 

1 4 5 6 7 8