0

Beau en de veteranen

Vanaf dinsdag 28 mei is het nieuwe tv-programma van Beau van Erven Dorens te zien: Beau en de Veteranen. In het programma gaan zeven getraumatiseerde oorlogsveteranen de strijd met zichzelf aan, omdat ze aan PTSS lijden.

PTSS
De veteranen hebben gediend tijdens missies in Libanon, Irak, Bosnie of Afghanistan. Zij hebben daar een post traumatische stress stoornis aan overgehouden, wat hun leven tot een voortdurend gevecht maakt. Zo’n 5% van oud-militairen die op missie zijn geweest, kampt met PTSS.

Samen met een team van specialisten neemt Van Erven Dorens de veteranen mee op een wandeltocht in Noorwegen. Daar leren zij, door middel van verschillende therapeutische sessies, beter om te gaan met de symptonen van PTSS.

0

FACTSHEET – Gezondheidszorg Defensie: de Algemeen Militair Arts

Volgens Defensie is de gezondheidszorg die zij haar werknemers biedt hoogwaardig. In een reeks artikelen zullen de verschillende aspecten van de militaire gezondheidszorg aan bod. In dit artikel wordt de positie van de Algemeen Militair Arts (AMA) behandeld. De AMA maakt onderdeel uit van het medisch zorgteam, waarvan ook een huisarts en bedrijfsarts deel uitmaken. Volgens Defensie fungeert hij ook als huisarts, bedrijfsarts en GGD-arts.
Van de militair arts wordt volgens Defensie verwacht dat hij werkt als huisarts, bedrijfsarts en GGD-arts en dat hij al zijn patiënten vanuit elk van deze gezichtspunten bekijkt. Anders dan in de civiele wereld volgt hij niet voor elk van deze specialismen een drie- tot vierjarige specialisatie-opleiding, maar een niet-erkende opleiding bij Defensie van twee jaar waarin aan elk van de specialismen aandacht wordt besteed.
Een militair heeft voorafgaande toestemming van zijn commandant nodig om een arts te bezoeken en een militair arts uit het medisch zorgteam informeert de commandant over de inzetbaarheid van de militair ongeacht de toestemming van de militair. Het medische beroepsgeheim heeft zodoende een andere betekenis voor de militair arts, dan het medisch beroepsgeheim buiten Defensie.
0

Dienverplichting (ECLI:NL:CRVB:2019:1444)

Uitspraak

182829 MAW

Datum uitspraak: 18 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 april 2018, 17/2071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], België (appellant)

de Minister van Defensie, thans de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de minister verstaan.

Namens appellant heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Welter. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

  1. C.E. Lamberti, mr. M.I. Biharie-Pronk en G. van Meurs-Koster.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is sinds 3 november 2008 werkzaam bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en ingedeeld bij de Koninklijke Luchtmacht. Appellant is aangesteld in loopbaanfase 1, in de stand van soldaat derde klasse en bestemd voor de functie van officier vliegoperatiën.

1.2. Bij het aanstellingsbesluit van 15 juli 2008 is aan appellant meegedeeld dat op hem de verplichting rust om gedurende zijn initiële opleiding en daaraan aansluitend een periode van tien jaar deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel. De totale opleidingsduur zal in beginsel 47 maanden bedragen (theoretische opleidingsduur voor F-16 met een mogelijke uitloop van zes maanden). Het voldoen aan deze opleiding is voorwaarde voor functietoewijzing en bevordering tot tweede luitenant. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Appellant is met ingang van 20 mei 2011 bevorderd tot tijdelijk tweede luitenant.

1.4. De opleiding van appellant tot F-16 vlieger heeft vertraging opgelopen wegens

bezuinigingen bij Defensie. De vliegopleiding is in augustus 2011 stilgezet voor een periode van negentien maanden, te weten tot en met februari 2013. Tijdens deze periode heeft appellant niet gevlogen, maar diverse tijdelijke tewerkstellingen vervuld binnen de Koninklijke Luchtmacht.

1.5. In maart 2013 mocht appellant doorgaan met de opleiding en is hij begonnen met het onderdeel Initial Qualification Training (IQT) F-16. Op 7 november 2013 is de opleiding voortijdig beëindigd omdat appellant de vereiste capaciteiten miste om de opleiding met goed gevolg af te ronden. De Vaste Commissie Examens (VCE) heeft de situatie van appellant besproken en geadviseerd om aan appellant een extra kans voor de IQT te bieden, omdat er bijzondere omstandigheden zijn die deze extra kans rechtvaardigen. Naar aanleiding van dit advies van de VCE is door het bevoegd gezag besloten appellant een herkansing van een deel van de IQT aan te bieden. Appellant heeft dit aanbod afgeslagen en om overplaatsing verzocht. Dit verzoek is ingewilligd: op 3 november 2014 is appellant begonnen met IQT-C130, een opleiding tot transportvlieger. Appellant heeft deze opleiding op 9 april 2015 met succes afgerond.

1.6. Op 20 juni 2015 heeft appellant een rekest ingediend. Appellant heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de overplaatsing naar Transport de nadelige gevolgen van de vertraging in zijn opleiding niet heeft weggenomen. Om de vertraging in zijn carrière te compenseren en de bewezen diensten in de tussenliggende periode te erkennen en belonen, heeft appellant onder meer verzocht om de ingangsdatum van de effectieve rang tweede luitenant en van de dienverplichting te herzien van de te verwachten datum 9 april 2014 naar 11 januari 2012 en verder om aanstelling als eerste luitenant met ingang van 11 januari 2014.

1.7. Bij Koninklijk Besluit van 22 september 2015 is appellant met ingang van 9 april 2015 bevorderd tot tweede luitenant.

1.8. Bij besluit van 6 augustus 2015 is het verzoek van appellant van 20 juni 2015 afgewezen, onder verwijzing naar artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de Militaire ambtenarenwet 1931 (MAW) voor wat betreft de duur van de dienverplichting, en naar artikel 24, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) voor wat betreft de ingangsdatum van de bevordering tot tweede luitenant.

1.9. Met het oog op het treffen van compensatiemaatregelen door de staatssecretaris, is in overleg met appellant vastgesteld dat de duur van de door appellant opgelopen vertraging in zijn opleiding 2 jaar en 1 maand bedraagt.

1.10. Bij besluit van 26 mei 2016 is aan appellant conform de nota CLSK/2016002290 van 11 februari 2016 waarbij de Regeling compensatie in verband met vertraging tijdens opleidingen luchtvarenden is vastgesteld (Nota), een financiële tegemoetkoming toegekend als compensatie voor de vertraging van de opleidingsduur door niet aan appellant te wijten omstandigheden. De opbouw van zijn vliegtoelage is verhoogd en zijn ‘klikmaand’ aangepast.

1.11. Bij besluit van 5 december 2016 is aan appellant met ingang van 20 mei 2011 één extra salarisperiodiek toegekend als compensatie voor vertraging in de bevorderingsrang tot tweede luitenant.

1.12. Bij besluit van 2 februari 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2015, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4203, ongegrond verklaard.

  1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Aangaande de dienverplichting voor de militaire ambtenaar heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat rendement in de zin van artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de MAW eerst aan de orde is na voltooiing van de opleiding tot vlieger. Pas dan vangt de in dit artikel vastgestelde periode van tien jaar aan, waarin rendement uit de opleiding kan worden behaald. Gelet op artikel 12k van de MAW en de memorie van toelichting, dient in het geval van appellant ervan te worden uitgegaan dat met ‘initiële opleiding’ in zijn aanstellingsbesluit de volledige opleiding is bedoeld. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor appellant na voltooiing van de opleiding nog een dienverplichting van tien jaar geldt. Voorts heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat appellant door organisatorische redenen (bezuinigingen) een vertraging in zijn opleiding heeft opgelopen, niet tot verschuiving van de begindatum van de dienverplichting, ofwel verkorting van de dienverplichtingdient te leiden. De staatssecretaris heeft onbestreden gesteld dat appellant er tijdens de opleiding op is gewezen dat de opleiding langdurige vertraging zou oplopen en dat hem vervolgens verschillende opties zijn aangeboden. Appellant heeft toen gekozen voor een tijdelijke tewerkstelling voor het verrichten van administratieve taken. Het besluit van de staatssecretaris om uit rendementsoverwegingen de op appellant rustende dienverplichting niet te bekorten, acht de rechtbank niet onredelijk. Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek ter zake van de ingangsdatum van de dienverplichtingheeft kunnen komen. De staatssecretaris heeft verder afdoende gemotiveerd dat er geen grond bestaat voor bevordering van appellant tot tweede luitenant per eerdere datum dan 9 april 2015, zijnde de datum dat appellant de opleiding IQT-C130 heeft voltooid. Het voldoen aan de opleiding was immers één van de voorwaarden voor functietoewijzing en bevordering tot tweede luitenant. De tijdelijke tewerkstelling, ten slotte, telt volgens de rechtbank niet mee omdat appellant toen niet operationeel werkzaam was als gecertificeerd vlieger en geen werkzaamheden verrichtte waarvoor de opleiding die hij volgde nodig was.
  2. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat buiten de schuld van appellant een vertraging in zijn opleiding tot vlieger is ontstaan. De vertraging werd veroorzaakt door bezuinigingen bij Defensie en een aanzienlijke reductie van de F-16 en jachtvliegtuigen.

4.2. Op grond van artikel 12k, tweede lid, van de MAW rust op appellant de verplichting om na het afronden van zijn opleiding voor een periode van tien jaar deel uit te maken van het beroepspersoneel. Deze dienverplichting stelt de staatssecretaris in staat om rendement te verkrijgen uit de opleidingen die uitsluitend binnen de defensieorganisatie worden gegeven. De dienverplichting omvat in het algemeen de duur van de opleiding en daaraan aansluitend een periode van vier jaar. Voor degenen die worden aangesteld met de bestemming tot het volgen van een opleiding tot vlieger geldt uit rendementsoverwegingen een dienverplichting van tien jaar.

4.3. Gezien de ratio van de dienverplichting acht de Raad het besluit van de staatssecretaris om de op appellant rustende dienverplichting niet te bekorten niet onredelijk. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris appellant tijdens zijn opleiding erop gewezen heeft dat de opleiding langdurige vertraging zou oplopen en hem toen verschillende opties heeft geboden. Deze opties hielden in: ontslag zonder restitutieverplichting, een tijdelijke tewerkstelling of het volgen van een studie op kosten van Defensie gedurende de periode van afwachting van het vervolg van de opleiding. Appellant heeft gekozen voor de mogelijkheid een opleiding te volgen en is daarnaast tijdelijk tewerkgesteld in andere functies bij Defensie. Appellant heeft bij deze keuze de dienverplichting en zijn wens tot bekorting daarvan niet ter sprake gebracht. Verder is de staatssecretaris na het voltooien van de opleiding met appellant in gesprek gegaan over verdere compensatie van de vertraging. Zoals blijkt uit 1.10 en 1.11 heeft de staatssecretaris appellant een financiële compensatie gegeven.

4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij, door in afwachting van het vervolg van zijn opleiding in tijdelijke tewerkstellingen arbeid te verrichten, een deel van de dienverplichting reeds heeft ingelost, omdat als gevolg van zijn arbeid anderen hebben kunnen vliegen en aldus door Defensie rendement is behaald. Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris heeft terecht gesteld dat het rendement als genoemd in 4.2 pas wordt behaald op het moment dat de betrokken militair zelf ingezet kan worden als squadronvlieger voor missies en opdrachten. Naast dat daarvoor de opleiding moet zijn voltooid, moet de militair ook zijn geplaatst op de functie waarvoor de opleiding is gevolgd, te weten de eerste functie van vlieger.

4.5. Het betoog van appellant dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij geen rendement heeft behaald, omdat anders Defensie alleen maar voordeel heeft gehad van de vertraging, slaagt evenmin. Zoals uit 4.3 blijkt heeft de staatssecretaris zich er tijdens de opleiding en ook daarna rekenschap van gegeven dat de opleiding van appellant buiten diens schuld langdurig vertraging heeft opgelopen. Hij heeft de gevolgen van de vertraging van de opleiding niet zonder meer voor rekening van appellant gelaten.

4.6. De stelling van appellant dat hij vervroegd, namelijk per 11 januari 2012, had moeten worden bevorderd tot tweede luitenant in plaats van per 9 april 2015 volgt de Raad niet. Een juiste toepassing van artikel 24k, vierde lid, van het AMAR brengt mee dat de militair de bevordering, die onlosmakelijk is verbonden aan de toewijzing van een functie met hogere rang, met ingang van de datum van die functietoewijzing de hogere rang toegekend krijgt. Dat is in dit geval de datum van plaatsing op de eerste functie van vlieger, na voltooiing van de opleiding. Dat appellant in de tussenliggende tijd tijdelijke werkzaamheden als vlieger heeft verricht is hierbij niet van betekenis, omdat hij toen nog aspirant en geen gecertificeerd vlieger was.

4.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

  1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) J.M.M. van Dalen

Kritisch rapport van de inspectie

Hoe goed is de gezondheidszorg binnen Defensie? Nou, niet zo geweldig, oordeelde kolonel-arts M. Heuts in zijn meest recente jaarverslag van de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG).

Door personeelsgebrek vallen er gaten in de bezetting. Defensie moet de concurrentie aan met de burgermaatschappij waar artsen veel beter verdienen. ‘We zien een grote mate van weglek van personeel en daaruit voortvloeiend ervaring en kennis. De bezuinigingen en reorganisaties zijn hier mede debet aan’, aldus het inspectierapport.

Met name de operationele eenheden ondervinden ‘grote problemen door een capaciteitstekort zowel op het gebied van personeel als materieel. Dit heeft direct een negatieve invloed op de kwaliteit van zorg’. Het personeelstekort is zo nijpend dat het aantal uit te voeren chirurgische ingrepen zelfs moet worden beperkt.

Het besturen van de militaire medische gezondheidszorg en het bewaken van de kwaliteit rammelt zo ernstig, aldus de inspectie, dat het ‘een adequaat functionerende kwaliteitscyclus in de weg staat’.

De inspectie is over de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) juist tevreden. ‘Per jaar worden op de poliklinieken ongeveer 1800 patiënten behandeld in de basis- en gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg.’ Volgens de inspectie leveren de behandelaars ‘zorg van goede kwaliteit’. Maar er zijn ook kritiekpunten. Zo is er geen centraal computersysteem waarin staat welke medicijnen militairen voorgeschreven krijgen. ‘Door het ontbreken van een elektronisch voorschrijfsysteem met bijbehorende bewakingsfuncties en risicoanalyse kunnen medicatiefouten optreden die met een dergelijk systeem zijn te voorkomen.’

Militair zoekt wanhopig (en vergeefs) hulp na verschrikkingen in IS-gebied

Hij smeet een fietsenrek door het raam van een psychiatrische instelling in zijn woonplaats Winschoten, zodat de politie hem zou oppakken en hulp zou bieden. Zó wanhopig was militair F. (28). Terwijl hij vergeefs binnen Defensie psychische hulp zocht en zich suf snoof en slikte, achtte de militair arts hem ‘geschikt’ voor zijn werk als militair chauffeur op de vliegbasis Leeuwarden.

Bron: Dagblad van het Noorden; door Bart Olmer

Als beroepsmilitair kun je niet naar je eigen huisarts. Zorg loopt altijd via een militair arts. Zo staat dat ook in de Militaire Ambtenarenwet. Maar militaire artsen kijken vooral naar de inzetbaarheid van een militair voor Defensie, zegt jurist Ferre van de Nadort. „De individuele gezondheid staat niet centraal, maar de organisatie. Militaire gezondheidszorg is gecentreerd rond de vraag of iemand inzetbaar is.”

En dat leidt tot uitwassen, zoals bij militair chauffeur F. uit Winschoten, werkzaam op de F16-vliegbasis Leeuwarden, als chauffeur goederen- en personentransport.

Drugsverslaafd, psychotisch, kampend met PTSS door zijn uitzendingen naar Afghanistan en Jordanië en vel over been, maar desalniettemin was militair F. tóch gewoon geschikt – althans volgens het oordeel van zijn militair arts – voor het besturen van een passagiersbus met vijftig zitplaatsen.

Dit is zijn verhaal, een verbijsterende reeks blunders waardoor F. gaandeweg zó wanhopig wordt dat hij in Winschoten augustus vorig jaar een fietsenrek gooit door het raam van een verslavingsinstelling, in de hoop dat de politie hem oppakt en vastzet. Zo gestoord is hij op dat moment, een junkie-achtige twintiger, amper 60 kilo zwaar. En hij wil hulp voor de nachtmerries die door zijn hoofd denderen.

Geen nazorg

Hij startte op 1 januari 2010 bij Defensie als gespierde sporter, met indrukwekkende torso, zo’n 30 kilo zwaarder dan nu. Een selfie waarop hij via de spiegel zijn ontblote bovenlijf kiekt bewijst het, maar ja, toen gebruikte hij nog geen GHB, cocaïne en sliep hij ook nog gewoon.

Zo’n drie jaar na zijn start bij de Koninklijke Luchtmacht wordt F. uitgezonden naar Afghanistan, waar hij verblijft op ISAF Kandahar Airfield, tussen oktober 2013 en januari 2014. Ondanks de traumatische ervaringen in Afghanistan, krijgt F. bij terugkomst geen nazorg, hij hoeft ook geen ‘nazorgvragenlijst’ in te vullen.

F. staat op het punt van ontploffen

Een paar maanden later wordt hij opnieuw uitgezonden: op 1 oktober staat hij in Jordanië met de Air Task Force Middle East; de luchtmachteenheid die IS-doelen bestookt in Syrië en jacht maakt op jihadisten.

Vreemd genoeg valt de uitzending binnen de zogenoemde ‘uitzendbeschermingsperiode’: minimaal twee maal de periode die je op uitzending bent geweest moet je – normaal gesproken – thuis zijn voor je weer op uitzending kan. Maar F. moet eerder weer op pad. Ook krijgt hij geen medische screening.

„Het voorleggen van een ‘nazorgvragenlijst’, het verlenen van nazorg na een uitzending en een medische screening zijn essentiële zorgverplichtingen”, stelt Ferre van de Nadort, die de jonge, ontslagen beroepsmilitair bijstaat. „Hiermee kunnen psychische problemen – zoals PTSS – worden voorkomen of tijdig gesignaleerd en behandeld. De uitzendbescherming heeft als doel om een werknemer na een uitzendperiode te laten herstellen.”

F. krijgt een zware psychische tik in Jordanië die hem volledig uit balans brengt. Een van de piloten, de Jordaanse Muath al-Kasasbeh, stort met zijn F16 neer boven Syrië, ergens in de buurt van Raqqa – de toenmalige ‘hoofdstad’ van het kalifaat – en komt in handen van IS-jihadisten.

Uit wraak voor zijn bombardementen wordt hij door de jihadisten levend verbrand in een kooi, nadat hij eerst is gedwongen te lopen langs de woonblokken die in puin liggen door ‘zijn’ bombardementen.

Beelden van zijn verbrandingsdood worden versneden met beelden van stervende baby’s; de afgrijselijke, 22 minuten durende IS-propagandafilm is nog altijd online te vinden nadat de beelden op 3 februari 2015 online kwamen. F. en zijn collega’s op de vliegbasis zien de gruwelijke beelden, evenals de familieleden in Nederland, die massaal contact zoeken om te horen of hun geliefden wel oké zijn.

Maar het zijn niet alleen de IS-beelden die zich vasthaken in zijn brein. De top dogs, de F16-piloten van de eenheid, laten op de vliegbasis in Jordanië hun eigen beelden zien, van IS-eenheden die worden weggevaagd in bollen van vuur, vastgelegd met de krachtige camera’s, die onder hun toestellen hangen.

Onder luid gejuich, alsof het een voetbalwedstrijd is, kijken de militairen naar de filmpjes, die soms zijn gemonteerd met keiharde rock of juist als ‘geintje’ tv-tunes hebben als van RTL-klusprogramma Eigen Huis en Tuin. „Onder meer deze gebeurtenis, maar ook het overlijden van een vriend, heeft hij als uiterst traumatisch ervaren”, zegt de jurist.

Vervreemd

Terug in Nederland – februari 2015 – kan F. niet meer aarden in Nederland. Hij is vervreemd van zijn naaste omgeving, is somber, heeft ernstige slaapproblemen, woedeaanvallen, gebruikt drugs, zondert zich af en ruziet met familie en vrienden. Na twee maanden zoekt hij hulp bij zijn militair arts; hij voelt dat hij de controle verliest over zichzelf. Als de relatie met zijn vriendin breekt, breekt ook F. De situatie wordt onhoudbaar; de squadroncommandant stuurt F. naar zijn kamer op de vliegbasis, omdat het volgens hem niet langer verantwoord is om hem te laten werken. De commandant alarmeert de militair arts dat F. met zichzelf in de knoop zou zitten en alcohol en drugs gebruikt.

F. wordt wanhopig dat hij geen adequate zorg krijgt van de militair arts. Hij zoekt meerdere malen vergeefs om psychologische hulp. Hij kan niet meer aarden en probeert zijn traumatische ervaringen te verdringen met alcohol- en (hard)drugsgebruik. Op 20 februari 2017 besluit hij dat het genoeg is en loopt – zonder tussenkomst van de militair arts – naar binnen bij de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) in Utrecht. Hij geeft aan niet meer weg te gaan voordat hij wordt behandeld.

Hij vertelt in Utrecht dat hij rondloopt met moordplannen en dat hij stijf staat van de drugs: niet alleen alcohol, maar ook dagelijks 2 gram cocaïne en elke twee uur 4 milliliter van het uiterst verslavende drankje GHB. Binnen enkele dagen wordt een intakegesprek geregeld bij Verslavingszorg Noord Nederland, waarbij wordt opgeschreven: ‘Binnen Defensie kon hij niet de zorg krijgen die hij nodig had; zijn drugsgebruik was hierin het probleem.’

Waarschuwing

F. gaat bij zijn vader in Vlagtwedde wonen, stopt met drugs, maar de herbelevingen blijven komen, net als de paranoia nachtmerries over IS-strijders die zich in zijn huis zouden verschansen. De MGGZ waarschuwt dat hij als militair chauffeur eigenlijk ongeschikt is. Dat hij achter het stuur zit van een personenbus noemt MGGZ zorgelijk. „Maar die waarschuwing is door de militair arts en de commandant in de wind geslagen”, zegt Van de Nadort.

In de tussentijd loopt F. bij Verslavingszorg Noord-Nederland. In de verslagen – die gedurende maanden worden gemaakt – staan verontrustende constateringen: groot risico op agressiebeheersingsverlies, toegenomen agressie na Jordanië, zevenmaal iemand aangevallen, paranoia, zegt via Facebook foto’s te krijgen van lijken, cocaïnegebruik, geheugenproblemen… „Maar ook met deze constateringen wordt door de militair arts niets gedaan.”

Van de Nadort: „F. dringt meermalen aan op psychische hulp bij zowel de militair artsen alsook bij zijn leidinggevenden. Die kunnen het niet zijn ontgaan dat F. ernstige problemen had; in korte tijd is hij afgevallen naar een gewicht van 60 kilo. Voor een voormalige gespierde sportman van 1,81 meter is dat zorgelijk.”

Een van de Nederlandse F-16’s die deelnamen aan de missie tegen Islamitische Staat (IS) in Irak. Foto: Louis Meulstee

Zelfs de afdeling Personeel & Organisatie luidt augustus 2017 de noodklok, maar de militair arts schrijft: „Wat mij betreft is hij medisch geschikt voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden als chauffeur.”

Van de Nadort: „Het advies van de militair arts heeft tot gevolg dat F., ondanks fors (hard)druggebruik en ondanks meerdere waarschuwingen door specialisten van VNN en MGGZ onverkort wordt ingezet als chauffeur wegtransport en personenvervoer. (…) Bovendien legt de militair arts de aanwijzingen voor PTSS naast zich neer en wordt daar geen onderzoek naar gedaan.” F. beklaagt zich bij de militair arts, maar ook dat signaal wordt genegeerd.

De dominee stuurt op 5 oktober een alarmerende e-mail aan de militair arts: F. staat op het punt van ontploffen, schrijft hij. F. maakt een gedesoriënteerde en opgejaagde indruk, is niet voor rede vatbaar. „Als hij in deze toestand naar zijn werk gaat, kunnen er klappen vallen. Mocht er sprake zijn van een psychische stoornis, moet hij dan niet tegen zichzelf in bescherming worden genomen? Daarnaast is de lijn (de organisatie, red.) bezig de druk op hem op te voeren; is dat verantwoord vanuit medisch/psychisch perspectief?’, vraagt de dominee, die daarmee duidelijk maakt dat hij zich zorgen maakt over de jongeman die in de mangel wordt genomen.

Ook deze noodkreet beweegt de militair arts niet tot hulpverlening, sterker nog: er wordt door personeelszaken, het Sociaal Medisch Team én de militair arts besloten een ontslagdossier voor te bereiden.

Zorg

Op 8 augustus vorig jaar barst de bom. F. staat voor een pand van Verslavingszorg Noord-Nederland in Winschoten. Hij dreigt met vernielingen als hij geen hulp krijgt voor zijn verslaving. Hij eist opgenomen te worden. Twee toegesnelde agenten spreken hem aan. „Van Defensie krijg ik geen ondersteuning en erkenning”, vertelt hij de agenten. Door een strafbaar feit te plegen, hoopt hij onderdak en hulp te krijgen.

Hij mag eventjes naar binnen voor een kort gesprek, maar een psychiater zegt niet de juiste hulp te kunnen geven. Uiteindelijk belandt hij weer op straat, de agenten rijden weg.

Ik ga al anderhalf jaar achteruit en probeer al drie maanden gedwongen opgenomen te worden

Dan doet F. wat hij had aangekondigd: hij smijt een fietsenrek door een raam. F. loopt kalm naar de teruggekeerde agenten en biedt kalm zijn handen op zijn rug aan, zodat ze hem de handboeien om kunnen doen. „Ik ga al anderhalf jaar achteruit en probeer al drie maanden gedwongen opgenomen te worden”, verklaart hij zichzelf later tijdens verhoor op het politiebureau.

Uiteindelijk wordt F. ontslagen. Onterecht, zegt Van de Nadort, want de militair arts wist vanaf 2015 al van de psychische problemen van F. en zijn harddruggebruik. „Het had vanaf 2015 op de weg van Defensie gelegen om F. adequaat nazorg te verlenen naar aanleiding van zijn psychische problemen na zijn uitzending naar Jordanië. Op zijn minst had er een onderzoek behoren plaats te vinden naar F.’s psychische gesteldheid voor zijn ontslag.”

Geen ontslag, maar zorg, dát was de koninklijke weg geweest, aldus de jurist: „Defensie is op de hoogte van de ernstige psychische problemen van F.; een behandelend psychiater, zijn commandant, een militair dominee en een militair arts wezen daarop. Ondanks herhaalde zorgen over de psychische gesteldheid van F. door hemzelf, zijn leidinggevenden, de dominee en specialisten, zoals de psychiater, wordt daarnaar door de militair arts geen onderzoek gedaan.”

F. zit door het ontslag zonder inkomen, zonder uitkering, zonder specialistische hulp en verblijft op een opvanglocatie voor veteranen. „En dat knelt, omdat hij al sinds 2015 doorlopend vergeefs heeft gevraagd om hulp. Hulp die hem door de militair arts en de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg telkens is geweigerd, tegen alle adviezen in van specialisten. F. was zelfs bereid om zich gedwongen te laten opnemen.”

1 2 3 31